Magisch Maanlicht

Reads: 157  | Likes: 0  | Shelves: 0  | Comments: 0

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Status: Finished  |  Genre: Fantasy  |  House: Booksie Classic

Een geheimzinnige ontmoeting...

Magisch Maanlicht

door Bruno Roggen


 

In 1956 was ik lid van de Lod Lavki scouts. Dat was een scoutsstam die ontstaan was in het Sint-Jozefscollege in Hasselt. Let wel: in 1956 heette die scoutsgroep nog zo niet. De naam van zijn stichter, Lod Lavki, de schrijversnaam van aalmoezenier Ludovic Van Winkel, heeft die pas later aangenomen, wanneer precies, dat weet ik niet.

In dat jaar, tijdens de Paasvakantie, ging er op Kelchterhoef een vormingskamp door waaraan ik deelnam. De bedoeling was om toekomstige scoutsleiders op te leiden. De methodes en technieken die daarvoor gebruikt werden zou ik paramilitair noemen. We maakten lange dagmarsen, gepakt en gezakt, we leerden sluipen, sjorren, vuur maken en overleven met wat we in de natuur vonden, en één van de meest indrukwekkende activiteiten was een “dropping”.

De vader van een van de Hasseltse scouts was een schrijnwerker die in de Kerkhofstraat woonde. Hij had een vrachtwagen. Op een avond om half elf, toen het al pikkedonker was, moesten we met onze zware rugzakken op de rug in de laadruimte kruipen onder toezicht van een van onze leiders. We moesten onze “foulard”, onze scoutsdas, voor onze ogen binden, en het zeil van de vrachtwagen werd achteraan dichtgemaakt. De bedoeling was dat we zeker niet zouden zien waar de vrachtwagen met ons naartoe reed.

Na ongeveer een kwartier werden we onderweg één voor één afgezet, ik schat op ongeveer een halve kilometer van elkaar. We mochten onze foulard terug om onze nek stroppen, en dan konden we vertrekken.

Vanaf het punt van dropping waren we aan ons lot overgelaten om terug naar het kamp te keren. Daarvoor hadden we ons kompas en een gedetailleerde kaart, een kopie van een militaire stafkaart. We mochten geen gebaande wegen volgen. Zo snel mogelijk en “te gries” (door bos, veld en wei) moesten we terug in het kamp raken, en onderweg op de stafkaart proberen te noteren welke richting we hadden genomen.

Het was op een erg smalle weg, Het Genaderen, aan de andere kant van de Weg naar Zwartberg, dat ik werd afgezet. Vol goede moed raadpleegde ik kompas en kaart en maakte me op weg. Eerlijk gezegd, echt goed ging dat niet. Ik ben nooit een held geweest als het ging om kaartlezen. Verdwalen deed ik wel niet, maar recht op doel af ging ik zeker ook niet. Toch deed ik mijn uiterste best om op de stafkaart te zien hoe ik rechtstreeks terug naar het kamp kon raken. Omdat het op dat moment nog aardedonker was door de bewolking kwam er helemaal niets van iets te noteren op de kaart.

Dat was niet het ergste. Op een bepaald ogenblik was ik zo geconcentreerd met kompas en kaart bezig dat ik niet oplette waar ik mijn voeten zette. Het gevolg was dat ik in het donker recht in een van de talrijke vijvers stapte die er omheen Kelchterhoef liggen. Gelukkig was de vijver aan de kant niet echt diep, maar toch zakte ik er in tot aan mijn middel. Ik had de tegenwoordigheid van geest om snel mijn rugzak los te haken en die op de oever te gooien, want anders zouden al mijn spullen doornat zijn geweest. Onnodig te zeggen dat mijn stafkaart doorweekt en onbruikbaar was. Mijn kompas had ik nog, want dat hing aan een touwtje om mijn nek.

Aan die vijver moest ik me poedelnaakt uitkleden en droge kleren, kousen en schoenen uit mijn rugzak halen. In de nachtelijke kou kleedde ik me al bibberend om. Of het was door het verschrikken, of gewoon door vermoeidheid, ik was plots uitgeput en voelde me totaal zonder energie. Ik legde me neer langs de vijver, met mijn hoofd op mijn rugzak, en viel na een paar minuten in slaap.

Hoe lang ik geslapen heb weet ik niet. Mijn Tissot horloge van bij mijn plechtige communie was niet waterdicht. Ze was stilgevallen. Geslapen had ik wel, maar niet erg lang, schat ik. Misschien één uur, misschien nog minder. Toen ik wakker werd waren de wolken weg en scheen de volle maan in al haar pracht over het landschap. Haar licht schitterde als zilver op het vijveroppervlak, zo erg mooi.

Ik wreef in mijn ogen toen ik plots hoorde hoe vlakbij mijn hoofd iemand ademde. Ik schrok me een hoedje. Tot mijn verstomming lag er een naakt meisje op nog geen meter van me af te slapen, met haar rug naar me toe. Haar lang blond haar zat om haar hoofd in een wilde wirwar die nooit helemaal te kammen was.

Uit discretie draaide ik mijn hoofd van haar weg. Wat ik moest doen wist ik niet. Haar wakker maken, en haar aanspreken? Dat leek me niet gepast, want dan zou ik haar in haar volle naaktheid zien…

Ik pakte mijn rugzak op en hing die op mijn rug. Toen ik me terug omdraaide kreeg ik weer een schok: het meisje lag er niet meer. Ze was weg, en er was geen spoor meer van haar. Ik keek in alle richtingen, maar nergens zag ik haar nog. Wel hoorde ik in de verte, aan de overkant van de Weg naar Zwartberg een langgerekt gehuil in de nacht. Dat duurde, naar ik schatte, een tiental seconden, en toen was het weer doodstil.

Daarna ben ik tamelijk vlot, zelfs zonder stafkaart, terug in het kamp geraakt. Dat ik in een vijver gesukkeld was, dat vertelde ik wel, maar wat ik had meegemaakt met het meisje met het verwarde en klitterige haar, daar zweeg ik wijselijk over. Mijn kameraden zouden me nogal uitgelachen hebben moest ik ze dat hebben verteld!

Toen ik terug thuis was dacht ik over het voorval na. Een echte verklaring voor de vreemde gebeurtenis vond ik niet. Misschien, dacht ik, was ik op dat moment nog niet goed wakker, en had ik gedroomd.

Maar ik had niet gedroomd. Toentertijd woonde ik achteraan op de Maastrichtersteenweg, vlakbij café De Blauw Stijlkens en de spoorwegovergang. Ik ging geregeld wandelen op de assenweg die naar het munitiedepot leidde.

Het was daar, in een weide van Thialands, dat ik haar terugzag op een avond. Ik herinner me die eerste avond dat ik haar zag alsof het gisteren was. Het was een van die avonden waarop je het niet kon verdragen om binnen te zijn. De maan scheen zo helder dat ik geen zaklamp nodig had voor mijn korte wandeling.

Zij kwam naar me toe, lachte haar tanden bloot en stak haar hand naar me uit. Wat er toen gebeurd is, daar heb ik nog altijd geen verklaring voor. Zij nam me bij de hand, en sneller als de wind trok ze me met zich mee. Maar even duurde dat, toen was ze plots verdwenen, waarheen, dat wist ik niet.

Ondertussen dwaalde ik door het bos aan het kasteel van Willems, waar tegenwoordig het boekhoudkantoor Van Havermaet gevestigd is, en dat toen nog veel uitgestrekter was dan nu. Het bos was toen nog erg groot, en niet verkaveld. De villa’s van orthodont Proost, van de baas van de Vlaamse televisie Bert Leysen en van zand- en grind bevrachter Keyers waren er toen nog niet gebouwd.

Ik wist niet hoe ik het had, en wat er gebeurde, maar na even kalmeerde ik. Zelfs genoot ik op een of andere manier van het bos. Het is echt interessant om te ervaren hoe verschillend bossen in het donker zijn in vergelijking met overdag. Een hele nieuwe menagerie van allerlei wezens neemt het bos over en het klinkt als een andere wereld. Ik hoorde onder andere uilen, geritsel in de dode bladeren en af en toe een gehuil dat ik niet kon thuisbrengen. Voor mij klonk het geluid als het geweeklaag van een radeloze gek die maanziek is. Het was een diepe, uitzinnige, pijnlijke roep. Het bos leefde met een symfonie van verschillende insecten, nachtvogels en kikkers die steeds luider werden naarmate ik dichter bij de Galgebeek kwam.

Ik was op weg naar een klein watervalletje waar ik overdag vaker was geweest met jongere broertjes om er op stekelbaarsjes, modderkruipers, zonnebaarzen en grondels te vissen met een piertje op een kromgebogen speld, een stok uit het bos, en een stuk Mechels garen van ons moeder. Maar nu, met de maan zo helder, zou ik het voor de eerste keer ‘s nachts zien.

Toen ik het watervalletje naderde hoorde ik een zware plons. Het was veel te hard om een vis te zijn die aan het springen was. Ten andere, zo zware vissen zaten er niet op de beek. Ik dacht dat er een kalf of een ree in het water viel. Nieuwsgierig klikte ik op mijn zaklamp en zag de vrouw opnieuw. Ze stond poedelnaakt in het soort bad dat door de waterval in de beek was uitgehold. Haar ogen hadden een rare kleur. De irissen waren roodachtig en hadden daarbij nog een gelige schijn in het licht dat mijn zaklamp verspreidde.

"Oh, excuseer me," zei ik, terwijl ik het licht van haar weg richtte. "Ik dacht dat er iemand in de beek was gevallen."

"En je kwam om mij te redden?" zei ze glimlachend. "Dat is echt attent van je."

Eerlijk gezegd kon ik mijn gedachten nauwelijks concentreren. Zeggen dat het meisje er verbluffend uitzag, zelfs met haar wilde haar in de war, zou een understatement zijn. In het maanlicht zag ze er verschrikkelijk mooi, bijna buitenaards uit.

"Het lijkt erop dat je niet hoeft gered te worden." zei ik.

"Het is de gedachte die telt." antwoordde ze fijntjes.

Maar ik ken je toch?” waagde ik. “Ik heb je voor de eerste keer gezien in Kelchterhoef, en daarstraks aan het munitiedepot, toch?”

Ze reageerde niet op mijn vraag, maar waadde dichter naar de rand van het water:

"Kom je er ook niet in?” vroeg ze. “Je bent helemaal van de assenweg hierheen gekomen. Geniet er hier maar van. Het water is heerlijk fris."

"Ik baad me niet of zwem niet met vreemden, zeker niet met naakte meisjes die ik niet ken," zei ik. “Moesten ze dat op het college te weten komen, dan gooien ze met klikken en klakken op straat.”

"Goed, maar dat hoeft toch niemand te weten. Ik ben Antha, en we zijn geen vreemden meer. Zoals je zei hebben we elkaar nu al twee keer ontmoet. Kom nu maar de beek in. In Kelchterhoef heb je toch ook al tot aan je navel in het water gestaan, wel tegen je zin!” lachte ze.

Ze had gelijk. Ik ben in het water gestapt, wel met mijn onderbroek nog aan. Om eerlijk te zijn, ik had van haar niet veel overtuigingskracht nodig. We praatten en baadden en koesterden ons gelukzalig in het maanlicht.

De nacht was al half voorbij toen ik eindelijk uit Willems bos moest vertrekken, terug naar huis aan de spoorwegovergang. Ik zou de rest van de volgende dag uitgeput zijn, maar het was het waard geweest.

Spijtig, maar ik moet naar huis,” zei ik tegen Antha. “En jij?"

"Ik ben al thuis," zei ze zonder haar ogen te openen. Ik begreep haar niet echt, maar ik was moe en dacht er niet veel over na.

De volgende week wandelde ik weer over de assenweg en ging in Willems bos naar de Galgebeek in de hoop haar weer tegen te komen, maar ze kwam nooit opdagen. Het duurde een maand voordat ik haar weer zag. Ze besloop me terwijl ik 's avonds aan het wandelen was, weer in Willems bos.

"Waar ben je geweest?" vroeg ik.

"Hier in de omgeving van het bos."

"Woon je hier in de buurt? Misschien ergens in de Pietelbeek, of in Wolske?"

"Zoiets." zei ze vaag, en ze lachte weer haar sterke witte tanden bloot.

Ze nam me bij de hand en trok me met zich mee. Over de velden langs de Diepenbeker Steenweg gingen we naar het Kjozeleer. Daar hebben we de bijna hele nacht gewandeld aan de Demer. Ik kon Antha nauwelijks bijhouden. Ze gleed over het land.

Toen het ochtendgloren kwam werd ze onrustig. Ik had de indruk dat er haren op haar gezicht groeiden. Het leek er op dat ze een snor kreeg, zoals die van een kat.

Ik moet nu echt gaan,” zei ze. “De tijd dringt voor mij."

Kan ik je terugzien?" vroeg ik.

"Spoedig, maak je maar niet ongerust."

"Goed,” zei ik, "Dan…” Ik maakte mijn zin niet af. Net als in Kelchterhoef was ze er plots niet meer, maar uit de richting van de Miezerik hoorde ik aan de andere kant van de Demer, in de verte, weer de diepe, uitzinnige, pijnlijke roep, een echt gehuil.

Ik dacht daar op dat moment niet verder over na, en wat Antha me beloofd had wou ik niet in twijfel trekken. En ja hoor, een paar weken later liep ik haar weer tegen het lijf in Willems bos.

"Je houdt echt wel van het bos," zei ik. "Ik dacht je ooit eens in de stad te zien. We zouden gerust samen in Hasselt eens naar de winkels kunnen gaan kijken."

"Ik hou helemaal niet van de stad." zei ze, zonder daar meer uitleg over te geven.

Dit keer had ik eten meegebracht voor een picknick. We aten onder de maan en sterren in Willems bos op de oever van het watervalletje in de Galgebeek. Maar deze keer kuste Antha me voordat ik vertrok. En weer hoorde ik toen ik aan de spoorwegovergang was het klaaglijk gehuil dat de nachtelijke stilte verscheurde...

Daarna zagen we elkaar onregelmatig, ik schat ongeveer één keer om de maand, in Willems bos, op de Kjozeleer, aan de Meukes, op de oevers van de Demer... Het duurde niet lang voordat ik een bepaald patroon opmerkte. Ik zag haar alleen tijdens de volle maan. Dan wou Antha de hele nacht met me doorbrengen.

Na zes maanden leerde ik haar geheim kennen. Dat kwam plots terwijl ik in mijn bed lag. Ik dacht aan haar wilde warrige haar, de melkachtige huid, de indrukwekkende tanden, de snorharen die plots op haar gezicht verschenen...

Weer kwam ze naar me toe op de assenweg en ze nam me mee, dit keer naar Portmans bos in de Pietelbeek. Ze werd, zoals altijd, erg zenuwachtig voor de zonsopgang. Ze wou weggaan, maar ik pakte haar hand.

"Blijf alsjeblieft, in ieder geval tot de zon opkomt." smeekte ik haar.

"Weet je het zeker?" vroeg zij.

"Heel zeker."

Ze leunde voorover en kuste me vol op de lippen. Ik keek haar in de ogen toen het eindelijk licht werd. Langzaam werden die doordringende ogen die Antha had van roodachtig goudkleurig. Haar mond veranderde van grijns in een wilde glimlach. In een oogwenk was het voorbij. Ik stond in Portmans bos aan de grond genageld en de wolvin rende weg. Ze stopte om achterom te kijken, en even huilde ze, maar het was geen klaaglijk of triest gehuil dit keer.

Ik glimlachte omdat ik dacht dat ik Antha over een maand weer zou zien. En elke nacht tot aan de volgende volle maan hoorde ik haar 's nachts huilen, vol verlangen.

Maar Antha is nooit meer naar het munitiedepot, Willems of Portmans bos of de Kjozeleer gekomen…

© Bruno Roggen, Anhée, 2021


 


Submitted: May 19, 2021

© Copyright 2021 impetus. All rights reserved.

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Add Your Comments:


Facebook Comments

More Fantasy Short Stories

Other Content by impetus

Short Story / Romance

Short Story / Romance

Short Story / Romance