Zwerftocht

Reads: 113  | Likes: 0  | Shelves: 0  | Comments: 0

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Status: Finished  |  Genre: Science Fiction  |  House: Booksie Classic

Dystopisch verhaal, in het kader van recente gebeurtenissen...

Zwerftocht

 

door Bruno Roggen

 

 

Het was ooit anders geweest in Limburg. Daaraan dacht Fred Borremans terwijl hij op weg was door wat eens het Nationaal Park Hoge Kempen was. Zelfs was het beter in de tijd van dreiging toen meer dan vijfhonderd politiemensen, militairen en veiligheidspersoneel de rust hadden verstoord. Ze waren toen op zoek naar een eenzame, verwarde rebel die tot op de tanden gewapend was. Door de hoogste instanties was hij als staatsgevaarlijk afgeschilderd. Uiteindelijk was die evenzeer tot op de tanden gewapende horde zonder enig resultaat vertrokken, en was de rust in het natuurpark weergekeerd.

Nu waren die toch relatief goede tijden voorgoed voorbij. Toen de hele hetze en de zoektocht naar de in het niets opgeloste militair in volle gang waren verslapte de aandacht van bepaalde officiële diensten. Hun opdracht was het land te vrijwaren voor gevaarlijke cyberaanvallen. Dat was in de paar weken die de krankzinnige zoektocht naar de nieuwe Rambo had geduurd niet gebeurd. De aandacht was verslapt, een aantal computers in de veiligheidsdiensten waren niet eens bemand…

Een vreemde mogendheid had van de verwarring geprofiteerd om toen een cyberaanval te lanceren. Er heerste twijfel over wie er voor de inbraak in de veiligheidssystemen verantwoordelijk was. De hoofdverdachten waren de Chinezen, maar zekerheid daarover was er niet. Was het misschien de dictator Loekasjenko geweest? Wou die zich wou wreken omwille van de sancties die de Europeanen tegen Wit-Rusland hadden genomen nadat hij een vliegtuig van Ryanair had gekaapt om een opposant van zijn regime kunnen uit te schakelen? Of waren het toch de Russen die achter de cyberaanval zaten? Misschien, maar toch minder waarschijnlijk, was het gebeurd op bevel van de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-un...

In elk geval, wie het ook geweest was, de persoonlijke gegevens van de burgers interesseerden die cybercriminelen niet. Hun opdracht was het uit te zoeken waar het kernarsenaal op het grondgebied aanwezig was, en dat eens en voorgoed uit te schakelen.

Dat gebeurde. De codes voor de afvuurcommando’s werden gehackt. De kernraketten die op de vliegbasis van Kleine Brogel opgeslagen lagen werden van op afstand tot ontploffing gebracht. De gevolgen van die kernexplosies waren rampzalig. Naast de vele slachtoffers maakten die ontploffingen een einde aan het groene Limburg, en dat niet alleen. Nog veel verder weg van het epicentrum van de explosies was de verwoesting niet te overzien. Het eens zo mooie en groene Limburgse landschap was sindsdien nog vaker bedekt met as en stof als daarvoor met ijs en sneeuw.

Fred Borremans dwaalde rond in de grijze woestenij, een land van ruïnes en angst, en verminkte overblijfselen van monumenten uit de tijd voor de nucleaire holocaust. Hij liep en liep, en zijn laarzen knarsten en knerpten in het vuil en de as van wat ooit het Nationaal Park Hoge Kempen was geweest.

Een grote wolf met een bleke vacht liep langs hem. Oorspronkelijk was Borremans alleen aan het dolen geweest, maar op een dag kwam de wolf uit het niets opdagen en ging nooit meer van Fred weg. Van waar het dier kwam had Fred zich wel afgevraagd. Misschien was het een afstammeling van de wolven die in de jaren daarvoor hun jachtgebied vanuit Duitsland en Nederland naar Noord-Limburg hadden verlegd? Alleszins, het was een jonge wolf, wel uit de kluiten gewassen, maar nog echt speels. Fred was zijn baas. Klaarblijkelijk beschouwde de wolf deze mens als de leider van een beperkt roedel...

Borremans zwierf rond, zonder dat hij echt een doel had. Hij zag er ook uit als een echte zwerver, als een man die al altijd in de woestenij geleefd en rondgedwaald had. Zijn haar was lang geworden, en zat vol stof en klitten. Zijn snor en baard waren onverzorgd en zagen eruit alsof de mot erin zat. Borremans had zich gekleed om bestand te zijn tegen de nieuwe toestand. Zijn jas was lang en dik, bedoeld om het opwaaiende stof en vuil van hem weg te houden, met een kap die hij als het winderig werd over zijn hoofd trok, strak tegen zijn schedel aan. Zijn broek was van een soort zeildoek, een stevige stof, maar ze stond vol lappen omdat het kledingstuk al vaak was gerepareerd. Het was echter zijn gezicht dat hem echt weggaf als een dwalende zwerver. Hij droeg een stofbril en een sjaal over zijn mond. Eigenlijk zag hij eruit als een soort buitenaards wezen voor iedereen die hem tegenkwam. Zelfs voor de wolf had hij een bril gemaakt. Het duurde langer dan Fred had gewild voordat de jonge wolf die wou dragen, maar ondertussen leek hij het op prijs te stellen. Fred bond ook een groot stuk stof dat hij had gevonden om de nek en de borst van de wolf om een ??deel van het opwaaiende stof en de zwarte asse van het dier weg te houden.

Fred Borremans droeg ook een rugzak. Die bevatte de weinige dingen die hij nodig had om te overleven: een metalen waterfles, een zeildoek, een oude legerdeken van ABL die zo dun was geworden dat ze mettertijd meer gaten dan een deken was, een slagersmes en een stuk steen dat tegen het stalen mes vonkte als hij het lemmet sleep. Hij had ook voedsel bij, en water genoeg voor een drietal dagen als hij geluk had.

Maar niemand had in Limburg in lange tijd geluk gehad. Overleven in de woestenij was uiterst moeilijk. Op zijn zwerftocht kwam Borremans dagelijks lijken tegen van mensen die het niet hadden gehaald. Ontbinden deden de lichamen niet, ze verschrompelden en werden kurkdroog, perkamenten huid over knoken…

In het begin schrok Fred als hij op een menselijk kadaver stootte. Hij vond het nu niet meer erg. Die doden waren er niet gekomen door een gebrek aan voedsel. Ze waren gestorven van de dorst. Water was het belangrijkste. Water vinden was wat een groot deel van zijn gedachten gedurende de dag in beslag nam. Hij stopte altijd als hij water vond. Wel was het meestal de wolf die het vond. Die bleef dan stokstijf staan, draaide zijn kop in de richting waar hij het water rook en huilde kort. Dat was de regel.

Fred stopte altijd. Altijd. Hij dronk van plassen die hij over het hoofd had gezien, met de wolf die ook zijn dorst leste langs hem. Soms was er water, maar wou de wolf niet drinken. Op dat gebied was het dier van onschatbare waarde, en niet alleen om Borremans gezelschap te houden tijdens zijn lange dwaaltochten. Allebei hadden ze water nodig, veilig en onbesmet water, en omdat ze dat tot dan toe hadden gevonden was Fred in zekere zin blij de woestenij te doorkruisen.

Die dag kwam Borremans plots een andere zwerver tegen. Die zag er een stuk beter uit dan hij, ook al was het een tamelijk oude kerel. Hij hoorde van die man dat er in het noorden een stuk van het Lanklaarderbos miraculeus van de kernexplosie gespaard was gebleven. Veel beter was het daar ook niet als het erom ging om aan voedsel te raken, maar er was tenminste water. Aan de Rode Terril lag daar een vroegere grindkuil, en daar was nog water in overvloed, beweerde de oudere man.

Of dat waar was wist Fred Borremans niet, maar dat hoopte hij. Hij zou richting Eisden gaan, volgens de man zijn aanwijzingen, en niet weggaan voordat zijn metalen waterfles vol was. Hij bewaarde ook een opplooibare plastic waterzak in zijn rugzak. Die had hij ook al enkele keren kunnen vullen. Tot nu toe waren er twee lekken in ontstaan. Borremans had ze hersteld met tape van 3M, maar hij wist niet of dat ook nog een derde keer zou lukken.

En dus liep hij maar over de overblijfselen van wat ooit een vlak, goed onderhouden en keurig bewegwijzerd wandelpad was geweest. Nu was het vuil, stoffig en hobbelig, alsof het met uitgedoofde vulkaanlava was bedekt. Maar Fred herinnerde zich die wandelwegen van toen hij jong was en met de Hasseltse scouts op kamp kwam in deze streek.

Vroeger was hij wel gewend om veel sneller te kunnen bewegen. Nu niet meer. Hij was ondertussen ouder, en door de verstoring die de kernontploffingen hadden veroorzaakt was het terrein ook veel ongelijker en meestal erg moeilijk begaanbaar. Maar soms, over kortere stukken, was het lopen niet zo moeilijk en kwamen hij en de wolf vlot vooruit.

Niet lang geleden had hij een uitgedroogd lijk gevonden met een paar stevige laarzen aan. Die waren wel aangekoekt met zwarte modder en vuil, maar hij had ze met zijn ogen dicht van het kadaver afgetrokken en ze min of meer zuiver gemaakt. De laarzen waren Fred wel ongeveer een maat te groot. Hij vulde de tenen op met lappen stof, en nadien maakten ze hem het lopen een beetje gemakkelijker.

Fred liep in de richting van waar hij wist dat Eisden lag, als dat tenminste nog bestond. Hij keek achterom, keek naar het onregelmatige pad voor zich en dacht na over hoe ver ze zouden komen. Hij had een tweede gedachte, een donkerdere gedachte. Die was geboren uit het leven in de nieuwe woestenij die het Park Hoge Kempen was geworden. Hij en de wolf trokken een spoor in de asse dat zelfs een blinde kon volgen. Iedereen zou hem zelfs 's nachts kunnen vinden. En als iemand dan kwade bedoelingen had, zou de wolf hem en zichzelf verdedigen? Of zou die misschien de kant kiezen van de aanvaller?

Daar daagden de bomen van het Lanklaarderbos in de verte op. Fred gebaarde de wolf met een licht knikje dat ze van het pad gingen afwijken. Ze liepen van de weg af naar de boomgrens. Zo zouden ze in ieder geval moeilijker te volgen zijn. Ze bleven door de wazige dag met de lucht vol grijzig fijnstof naar de bomen toe lopen. Ver vooruit kijken ging niet.

Of het veilig zou zijn in het bos viel af te wachten. Fred Borremans besloot halt te houden voor de nacht. Hij deed zijn bril af en maakte zijn sjaal los. Zijn gezicht was door de maanden heen verweerd. Het was amper in de derde maand, maar hij zag eruit als een man die twee keer zo oud was als hij echt was. De zon en de wind die scherp stof meevoerde hadden diepe lijnen in zijn gebruinde gezicht gesneden.

Droog hout lag er genoeg in het bos. Takken waren er door de kernexplosie tot houtskool omgevormd. Tien minuten sprokkelen, en Fred had er genoeg voor de rest van de dag. Hij haalde zijn steen en zijn mes tevoorschijn, sloeg de steen zachtjes langs de ruggengraat van het mes en deed vonken overspringen in een stapeltje verdroogd gras. Ten slotte begon dat te smeulen. Hij blies er zachtjes op, totdat er rook uit de kleine stapel kwam. Langzaam, en dan ineens, barstte het uit in een kleine vlam. Daar legde hij er verkoolde takken op tot hij een vuurtje had. Hij schonk wat water in een kopje en legde er een paar stukjes vlees in dat de wolf aangebracht had en wat opgedolven wortels. Als dat eten gaar was at Fred langzaam en gooide stukjes naar de wolf die ze hartelijk opat, ook al had hij onderweg al gegeten wat hij vangen kon.

Hij legde het zeildoek op de grond en rolde zich in de deken. Het duurde niet lang voordat Borremans insliep. De dagmarsen tijdens het rondzwerven waren vermoeiend en soms zelfs uitputtend. Zoals gewoonlijk werd hij na middernacht wakker om de wolf te zien waken. Toen die zag dat Borremans wakker was legde hij zijn hoofd neer op zijn poten en viel na een tijdje in slaap. Zo wisselden mens en wolf elkaar de hele nacht een paar keer af. Elk wachtte op de ander om beurtelings te waken of te slapen.

De volgende dag was vrijwel hetzelfde als de vorige. Borremans en de wolf liepen de hele dag in de richting van Eisden. Eigenaardig, want hoewel Fred Borremans ervan overtuigd was dat ze de goede richting waren uitgegaan en hij de streek van vroeger kende vond hij Eisden niet terug. Het was alsof die gemeente van de aardbodem verdwenen was.

Borremans stopte toen hij iemand voor hen zag langs het pad zitten. De wolf gromde, maar Fred gebaarde dat hij moest zwijgen. Hij trok uit voorzorg zijn mes uit zijn rugzak. Toen hij in de stoffige lucht dichterbij kwam zag hij dat het een vrouw met een klein kind was. Ze zaten ineengedoken onder de jas van de vrouw. Ze hadden geen voorraden, en ook geen water. Het was gemakkelijk te zien wat er aan de hand was. Ze gaven het op. Over een dag of wat zouden ze er niet meer zijn…

Plots kwam er uit het niets in de rug van Fred een man opdagen. Hij hield Fred zijn armen in een klem en wachtte om te zien of Borremans kwaad in de zin had. Fred was ongerust. Elk moment konden er meer van hun groep uit het bos komen. Dat kon wel eens slecht aflopen... Nu had hij toch een beetje zekerheid. Als hij de wolf niet had zou hij gedwongen worden om al zijn hebben en houden af te geven en te vertrekken. Maar de wolf gebaarde naar geen andere mensen.

 

Fred bukte zich, pakte twee blikken corned beef uit zijn rugzak, en ook enkele repen gedroogd en gezouten vlees van een ree die de wolf had weten te vangen. Het was alles wat Borremans kon missen, en hij zette het voor zich op de grond.

Tussen de bomen was er nog steeds geen beweging. Blijkbaar waren er geen andere mensen. De vreemde man liet Fred los en knielde voor het voedsel op de grond. Borremans en de wolf begonnen weg te gaan, en Fred hoorde een zwak gemompel: “Dankjewel”.

 

Borremans knikte. En hij en de wolf gingen verder in de richting van waar Fred dacht dat Eisden lag. Weg van het bos, langs het hobbelige verkoolde pad… Om nog wat langer als zwerver rond te dwalen.

 

© Bruno Roggen, Anhée, juni 2021

 


Submitted: June 01, 2021

© Copyright 2021 impetus. All rights reserved.

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Add Your Comments:


Facebook Comments

More Science Fiction Short Stories

Other Content by impetus

Short Story / Fantasy

Short Story / Romance

Short Story / Romance