Het Schrijven van een Fantasieroman

Reads: 37  | Likes: 0  | Shelves: 0  | Comments: 0

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Status: Finished  |  Genre: Romance  |  House: Booksie Classic

Een schrijver probeert een fantasieroman af te maken, maar dat lukt zomaar niet. Zowel mensen, huisdieren als allerlei omstandigheden vormen hinderpalen op zijn pad...

Het Schrijven van een Fantasieroman

door Bruno Roggen


 

Verwittiging:

 

Alle overeenkomsten met reëel bestaande personen en/of situaties zijn louter toevallig en vallen volledig buiten de wil, het opzet en de verantwoordelijkheid van de auteur.


 

Jij met je flauwe zever!” had zijn vrouw in zijn gezicht geschreeuwd. “Ben jij nog wel goed wijs? Dag en nacht leef je in je fantasiewereld en lig je achter die stomme computer. Voor niemand heb je nog tijd, voor mij al helemaal niet! Ik ben weg hier, ribbedebie! Trek maar alleen je plan! Wel zal je het huis moeten verkopen, want ik wil mijn deel, en ook de helft van ons spaargeld. Bij zo’n onnozelaar en nietsnut als jij wil ik niet langer blijven”

Die ruzies, met de pijnlijke woordenwisselingen, die waren nu al meer dan een jaar aan de gang. Leo Reyers kon er echt niet meer tegen. Ze verstoorden zijn wereld, maar hij besefte dat zijn vrouw eigenlijk gelijk had. Die pijnlijke knoop diende eens en voorgoed doorgehakt.

Zo was het dan ook gebeurd. Het huis in de Langwaterstraat aan het kanaal in Godsheide was binnen de kortste keren verkocht, en nog wel aan de vraagprijs. De kandidaten stonden er voor aan te schuiven, bij manier van spreken. Het was ook een mooi huis, en het had sfeer.

Zijn vrouw was nadat het geld op haar rekening stond geen moment langer in Hasselt gebleven. Ze was ingetrokken bij hun zoon in de Rue des Bouchers in Brussel waar die voor de eigenaars die in Knokke woonden een druk restaurant uitbaatte, voornamelijk gericht op toeristen.

Een beetje tegen zijn zin, maar willens nillens, was Leo Reyers op het Kolonel Dusartplein in Hasselt gaan wonen. Zijn dochter Clara had voor hem een niet al te duur appartement weten te vinden aan de Blauwe Boulevard, maar daar ging hij liever niet naartoe. Zijn voorkeur ging toch naar een huis. Na even zoeken had Clara voor hem een oud herenhuis gevonden op het Kolonel Dusartplein. Echt comfortabel was dat niet, en het was ook wel toe aan een ernstige renovatie, maar dat deerde Leo Reyers niet. Het huis was wel oud, maar het had een fin-de-siècle charme die een appartement nooit kon bieden...

In het begin kon Reyers moeilijk wennen aan het alleen zijn, hoewel hij zich nog intenser op het schrijven gooide dan toen hij in de Langwaterstraat woonde. Even had hij eraan gedacht om opnieuw een vrouw te zoeken die met hem in zee wou gaan. Maar van dat idee was hij snel afgestapt. Hij zou weer miserie krijgen omdat hij niet genoeg tijd aan haar kon besteden. Ook besefte Reyers dat hij niet meer zo jong was, en zijn tijd voor amoureuze avonturen zo goed als voorbij.

Maar hij had een vervangster gevonden voor een vrouw: die heette Thida. Het was een Siamese kat die hij aan een schappelijke prijs gekocht bij een vrouw in Godsheide die dat ras van katten illegaal kweekte en ze in het zwart verkocht.

Die morgen rolde Leo uit bed bij het geluid van zijn huilende kat in de gang. Hij strompelde naar de trap en hield de leuning vast terwijl de oude trap van het herenhuis kraakte. Hij glimlachte toen zijn kat hem volgde naar de keuken.

Ik zorg voor je, Thida,” zei Leo. "Kijk." Leo opende de zak met droogvoer op het aanrecht.

"Ik heb je eten hier." Hij vulde de kom van zijn kat op de grond en sjokte de trap weer op.

In zijn bureau, dat hij zijn ‘schrijfkasteel’ noemde zette hij de radiozender Klara op en luisterde naar klassieke muziek. Gewoonlijk was die muziek een inspiratiebron voor hem, maar die dag was dat niet het geval.

Na even luisterde Leo niet meer en gaf het op om nog iets zinnigs geschreven te krijgen op zijn laptop. Hij besloot dan maar boodschappen te gaan doen in de Aldi in de Casterstraat. Dat was vlug gebeurd, want zoveel had hij nu niet meer nodig, niet eens de helft van toen zijn vrouw nog de boodschappen deed. Die maakte nooit een boodschappenlijstje van wat er nodig was en ze kocht wat ze zag.

Toen hij terugkwam en onder het Dusartplein de parkeergarage binnenreed had iemand zijn plek ingenomen. Zijn naam stond er wel niet op, maar hij parkeerde er al elke dag sinds hij aan het Dusartplein woonde. Hij vond na even zoeken een andere plaats. Eerst ging hij toen naar buiten, en dan toch maar weer naar binnen om er zeker van te zijn dat zij auto correct geparkeerd was.

De koffie die hij elke morgen opgoot in een thermoskan, door een ongebleekte papieren filter, was maar lauwtjes toen Leo terug aan zijn bureau zat en e-mails las en wiste. Zijn ogen wilden steeds maar dicht, zijn hoofd wilde steeds op zijn toetsenbord rusten zodat hij nog even kon indommelen en dromen.

De bel ging. "Hé, Leo!" zei een onaangename stem aan de parlofoon. Leo wist wie het was. Hij drukte op de knop om de voordeur open te doen. Daar verscheen dan Albert Henckaerts, een schijnbaar aardige vent die veel te veel van een praatje hield.

Je ziet er een beetje lui en vadsig uit vandaag,” zei Henckaerts. “Het is tijd om wakker te worden ??en aan de slag te gaan, maat. Wat heb je gisteravond uitgespookt? Te diep in het glas gekeken?”

"Nee, ik was aan het schrijven tot bijna middernacht," antwoordde Leo, "Bijna ben ik klaar met de eerste versie van mijn fantasieroman, maar toch wat op de sukkel, eerlijk gezegd."

Wat is dat, een fantasieroman?” vroeg Henckaerts.

Je kan het ook ‘magisch realisme’ noemen.” antwoordde Reyers. “Niet in de trant van Johan Daisne, en van Hubert Lampo zeker niet. Bij mij leunt het meer aan bij oeroude sagen en legendes.”

Voor Henckaerts was dat allemaal Chinees, paarlen voor de zwijnen.

"Ik wou dat ik tijd had om een ??roman te schrijven," zei Henckaerts. “Ik heb wel wat beters te doen.”

De woorden kropen griezelig over Leo’s ruggengraat. Alsof tijd alles was wat iemand nodig had om een roman te schrijven…

"Ik ga de kinderen van mijn dochter elke dag brengen en ophalen aan de school in de Tuinwijk. In de tuin ben ik ook veel bezig. En ik ga trainen voor de voetbal op dinsdag." zei Albert, een beetje fier.

Voetbal? Op jouw leeftijd?” vroeg Leo. "Ik stopte ermee nadat ik getrouwd was. 24 was ik toen, en mijn vrouw wou het zo.”

Ik speel ‘s zaterdags mee in de ploeg van café ‘Bierpomp’ in Kuringen. Allemaal veteranen zijn dat, en we spelen tegen andere caféploegen.”

Klinkt wel goed. Fijn dat je wat zon en goeie lucht krijgt."

"Leo, je moet bij onze ploeg komen. Het zou geweldig zijn. Eerst de match, en dan pinten drinken… Zo kom je toch eens buiten, en onder de mensen.”

De tijd leek stil te staan ??toen de woorden uit Albert zijn mond vielen. De gedachte om voetbal te spelen in plaats van te schrijven voelde voor Reyers verkeerd aan.

Ik moet schrijven.” was Leo’s excuus geweest om de meeste uitnodigingen van collega's af te wijzen toen hij nog les gaf in Diest. Om welke reden dan ook was Albert de enige die volhardde, nadat hij het excuus meer dan tien keer had gehoord.

Ik moet schrijven,” zei Leo. “Mijn tijd kort snel.”

Je kunt altijd schrijven,” antwoordde Albert. “Kom met ons mee voetballen. Je zal het geweldig vinden."

"Nee, dat gaat niet. Mijn handen zijn als het ware vastgebonden. Ik ben een gevangene van mijn schrijverschap, maar dat ben ik graag."

Wat een onzin is me dat! Ik begrijp je niet,” zei Henckaerts. “Je bent wereldvreemd. Pas maar op! Wie weet hoe dat gaat eindigen!”

Leo haalde zijn schouders op. "Ik heb het gevoel dat je net zoveel plezier zult hebben zonder mij."

Pas jezelf aan,” zei Albert Henckaerts. “Als het tenminste al niet te laat is.”

Hij zette zijn wijsvinger tegen zijn slaap en draaide ermee om aan Reyers duidelijk te maken dat hij knettergek was.

Leo keerde terug naar zijn bureau om nog meer e-mails te lezen en ze te wissen. Schrijven lukte ook wel een beetje, maar het ging toch niet echt vlot, ondanks de muziek van Klara. Naarmate de dag vorderde werd de koffie er niet beter op. Tegen het einde van de dag waren de wallen onder Leo’s ogen dubbel zo erg uitgezakt als ‘s morgens. Hij voelde zich stram en stijf alsof hij meegelopen had in Dwars door Hasselt. Hij duwde zijn handpalmen tegen zijn bureau om te helpen bij het opstaan ??uit de stoel waarin hij voorovergebogen had gezeten sinds na zijn middageten.

Rond zes uur ging hij opnieuw het huis uit. Waar naartoe, dat wist hij niet precies. Dat liet hij aan de inspiratie van het moment over. Hij liep de ondergrondse parkeergarage in en ging naar zijn gebruikelijke plek, maar hij rolde met zijn ogen omdat zijn auto daar niet stond. Op zoek naar waar die dan wel was drukte hij op de knop van zijn autosleutel en luisterde naar het gepiep terwijl hij door de parkeergarage slenterde. Hij zag een vrouw met haar armen in de lucht zwaaien. Ze stond voor zijn auto.

Mijn excuses,” zei Leo terwijl hij langzaam naar zijn auto liep. “Het was niet mijn bedoeling om je te dwingen een soort bediende van de parkeergarage te worden.”

Geen probleem,” antwoordde de vrouw. “Ik sta naast je geparkeerd en hoorde je noodsignaal klinken.”

Tja, er is iemand die zijn auto geparkeerd heeft op mijn gebruikelijke plek,” zei Leo. “Zodoende moest ik… Och, het speelt weinig rol. Alleen, mijn kort geheugen is niet meer zo goed. Nog eens bedankt!"

"Ik heb je hier nog nooit eerder gezien… Dus je bent toch niet nieuw hier?"

"Nee, nee dat ben ik niet. Ik ben een geharde veteraan die niet van verandering houdt. Dat heb je op mijn leeftijd. Excuseer, ik was onbeleefd: ik ben Leo, Leo Reyers.”

Annik Weltjens,” glimlachte ze en stak haar hand uit. "Hoelang woon je hier al?"

Nu volgende maand één jaar.”

Leo schudde haar hand en hief die daarna in de lucht op borsthoogte en schudde ermee.

"Dat was nogal een stevige handdruk,” lachte hij. Nog zo één en ik heb geen vingers meer."

Je zult moeten leren tellen zonder je vingers te gebruiken,” antwoordde Annik. "Heb je vroeger geen lessen in hoofdrekenen gekregen?”

Ze lachte, en Leo lachte mee.

Het was fijn je te ontmoeten, Leo. Misschien komen we elkaar morgen of zo wel weer tegen."

Eens in de Congostraat hing Annik Weltjens haar jas op en schopte haar schoenen uit in haar appartement met twee slaapkamers dat uitkeek op het Sint-Jansplein. Ze liep naar de keuken en haalde een fles water uit de koelkast voordat ze op haar tenen door het appartement liep, op zoek naar haar hond.

"Jacky?" riep ze. “Jacky, waar zit je weer?” Ze liep de logeerkamer in en zag dat Jacky op gespannen voet stond met een knuffeldier. De jonge Labrador worstelde met een pluche tijger die Annik op Hasselt kermis had gewonnen in een loterijbarak en die twee keer zo groot was als hij.

Je bent zo'n dommerik, een echte sukkel. Ik ga even joggen aan het kanaal, oké? Als ik terug ben, gaan we eten."

Toen ze een klein uurtje later terug was zat Annik aan de keukentafel na haar douche, haar haar in een handdoek gewikkeld. Jacky verslond zonder enige schijnbare moeite zijn soja biefstuk die er onsmakelijk uitzag, eerder een bruine brij dan een biefstuk.

"Vind je het lekker, jongen?" vroeg Annik. Jacky keek op en herkende haar even voordat hij terugkeerde naar de ‘hartige en gezonde’ maaltijd.

"Blij het te horen. Ben je in de problemen gekomen vandaag? Nee? Ik denk dat ik aan de tijger zijn versie van het verhaal moet vragen.”

Met de afwas ondergedompeld in zeepwater met Dreft in de gootsteen zonk Annik neer op de canapé en zette de TV aan. Op Netflix was ze een serie aan het volgen waarin een steenrijke maffiabaas ergens in Sicilië een arm, maar bloedmooi boerenmeisje en haar familie onder druk zette om haar in zijn bed te krijgen. Jacky sprong ook op de canapé, kwam tegen haar aan liggen en vond zijn plekje aan Anniks zijde voor het optimale buikkrabben.

Annik begon in slaap te vallen toen de lucht buiten roze kleurde. Ze stond op, stelde een wekalarm in op haar telefoon, poetste haar tanden, kroop toen in bed en liet haar onderbenen buiten de lakens hangen omdat ze anders te hete voeten kreeg. Ze keek met één oog open hoe Jacky het trapje aan de rand van het bed op klom en zijn plekje op het tweede kussen vond.

Annik werd wakker toen Jacky aan de zijkant van haar gezicht likte. Ze draaide zich om in bed naar het nachtkastje toe en zette het wekalarm uit, een minuut voordat het op het punt stond af te gaan. Op weg naar haar werk bij Tenneco in de industriezone op het Schurhovenveld in Sint-Truiden ging de afspeellijst van ‘Rustige Mannen’ verder waar die de dag ervoor was gebleven. De nummers daarvoor had ze zelf opgenomen op DVD, en ‘Rustige Mannen’, die naam had zij er zelf aan gegeven.

Annik hield haar blik op de expressweg van Hasselt naar Sint-Truiden gericht terwijl ze met haar rechterhand in haar handtas op de passagiersstoel viste. Ze haalde een harde soldatenkoek tevoorschijn en scheurde een hap af met haar tanden voordat ze hem weer in haar tas stopte.

Bij Tenneco was het een dag zoals de meeste andere. Het was druk, en ze moest veel telefoons van klanten beantwoorden, in verscheidene talen. Onaangenaam vond ze het niet al die internationale klanten te woord te staan, maar vermoeiend was het toch wel.

Toen ze terug thuiskwam en de parkeergarage onder het Dusartplein binnenreed probeerde ze zich te herinneren waar ze de dag ervoor had geparkeerd. Was het op de tweede benedenverdieping? Ze vond haar plek van de dag ervoor en parkeerde naast dezelfde auto, Leo’s auto, en merkte dat hij, vreemd genoeg, nog steeds achter het stuur zat. Ze stapte uit, stopte haar handtas onder een arm en ging nieuwsgierig kijken. Door de voorruit probeerde ze Leo zijn aandacht te trekken. Hij had zijn hoofd begraven in het stuur en hij leek te slapen.

Leo!”

Hij sprong op en deed de deur open. “Bedankt,” zei Leo. "Ik denk dat ik een goede plek heb uitgekozen om in slaap te vallen. Het is opvallend rustig hier."

Hij stapte uit de auto.

Wat heb je vandaag gedaan?” vroeg Annik. “Toch niet de hele tijd in je auto liggen slapen?”

Nee, dat niet, ik heb ergens aan gewerkt, aan een gek project. Het is niet echt meegevallen. Ik heb eraan gedacht om meer hobby's te zoeken.”

"Wat is dat gekke project?"

Annik bleef naar hem kijken terwijl ze naar de lift liepen.

Ik heb aan een fantasieroman gewerkt. Het is nu bijna een jaar geleden dat ik er aan begonnen ben. Nu is hij bijna af, maar het vlot niet meer zo goed. De laatste loodjes wegen het zwaarst, weet je..."

"Een roman? Dat is geweldig! Ik heb nog nooit een schrijver ontmoet. Heb je nog iets geschreven?”

Twee andere romans, maar die hebben nooit het daglicht gezien. Verder erg veel kortverhalen. Schrijven is al mijn droom sinds ik een kind was.”

Hij drukte op de liftknop, en lachte, maar het was niet van harte.

"Soms vraag ik me af of het nobel is of triest dat ik het nog niet heb opgegeven."

"Het is zeker niet treurig."

Tja, hoe dan ook, een aantal mensen menen dat ik moet doorgaan met schrijven. Sommigen dringen aan dat ik een uitgever zou zoeken voor mijn teksten... Dat is niets voor mij. Daar komt teveel gelobby, geloop, getelefoneer en elleboogwerk bij te pas. En dan nog, ik ben te oud. Ik heb ook niet de minste ambitie om bekend te raken zoals Brusselmans of Lanoye. Voor mij is mijn schrijven op zijn minst een goede manier om de taken te ontlopen die ik niet wil doen. En ook, ik schrijf dingen van me af, maar daar ga ik liever niet op in… Wat is jouw ding?”

Joggen, maar ook rennen, koers lopen,” antwoordde Annik. “Ik doe een paar halve marathons per jaar en zoek naar lokale loopwedstrijden die ik aankan. Ik word zelfs gesponsord door mijn werk in Sint-Truiden, wat fijn is. Ik moet dan wel een T-shirt aantrekken met hun logo op, en een afbeelding van twee schokdempers, een op elke borst, hahaha. Het voorkomt dat ik mijn eigen uitrusting, massageproducten en zo meer zelf moet betalen.”

"Maar dat is indrukwekkend! Op de middelbare school liep ik op de piste, een assepiste op de Kiewit. Professor Duchateau gaf op het Sint-Jozefscollege atletiektraining aan vrijwilligers. Ik legde me toe op de sprint.”

"Ik heb het ook geprobeerd op de korte afstanden," antwoordde Annik. “Maar dat lag me niet. Een sportdokter uit Lummen heeft me toen gezegd dat mijn spieren daar niet geschikt voor waren. Lange afstanden raadde hij me aan, en crosscountry, dat was de echte sport voor mij, beweerde hij.”

Op niveau twee gingen de liftdeuren open en er stapte iemand anders in.

Dag Leo,” zei Albert Henckaerts. “Je hebt gisteren iets gemist, man! We zijn met de voetballers van de Bierpomp gaan bowling spelen in Spalbeek. Verdorie, ik gooide de ene strike na de andere!”

Goed, dan heb je je geamuseerd. Albert, dit is Annik. Ze woont ook in de buurt hier.”

Hé, Annik,” zei Henckaerts. "Heb je zin om volgende week mee te gaan? We zijn van plan te gaan badmintonnen bij Olympia."

"Bang van niet," antwoordde ze. “Binnensporten liggen me zo niet. Ik kan dan precies geen adem krijgen."

Ik moet schrijven." Zo voorkwam Leo de uitnodiging van Henckaerts.

"Is die roman dan nog niet af?" vroeg Henckaerts. Daar antwoordde Leo Reyers niet op, maar toch voelde hij zich om een of andere reden een beetje schuldig…

Rond vijf uur in de namiddag was Reyers nog even aan het klungelen geweest aan zijn roman, maar uiteindelijk had hij het opgegeven. Nu was hij ook klaar met het verwijderen van de e-mails van de dag en hij zuchtte van opluchting.

Hij sloot even zijn ogen, maar schrok wakker toen iemand met zijn stoel schudde. Hij draaide zich om en zag Albert Henckaerts achter hem staan, met een brede grijns op zijn gezicht.

Hoe ben jij hier binnen geraakt?” vroeg Leo verbaasd.

Je moet me dat niet kwalijk nemen, maar ik ben een sleutel gaan vragen bij de eigenaar van wie je het huis huurt.”

En mag ik weten wat je het lef gegeven heeft om dat te doen zonder me te vragen wat ik daar van denk?”

Och, Leo, blaas toch niet zo hoog van de toren! Ik doe dat voor je goed. Stel je voor dat je een beroerte krijgt, of van de trap dondert? Wie gaat je vinden voordat je misschien je kaars hebt uitgeblazen?”

Daar wou Leo Reyers niet verder op ingaan. In feite had Albert Henckaerts gelijk. Dus zweeg hij, maar dat deed Henckaerts niet.

Dat nieuwe wijfje is echt aantrekkelijk,” zei Albert. “Annie, was het niet?”

Nee, ze heet Annik.”

Annie of Annik, dat maakt niet veel verschil. Ik denk erover om haar eens uit te vragen. Denk je dat ze graag op café gaat, of is het eerder een koffiemeisje voor een eerste afspraak en moet ik haar voorstellen naar Cools of zo te gaan?”

Ik was, eh,” en Leo voelde zijn gezicht rood worden, “Ik dacht er eigenlijk over om haar te vragen voor een kop koffie en misschien een gebakje, waar, dat weet ik nog niet…”

Oh, jij denkt erover om haar mee uit te vragen? Leo, je bent een geweldige kerel en ik begrijp het, maar dit is niet een van je fantasieverhalen. Kijk eens naar hoe je eruitziet, naar je houding, man. Met je wallen onder je ogen en je kromme rug… Je ziet eruit alsof je totaal afgeleefd bent."

Henckaerts legde zijn hand op Leo’s schouder. "Ze zal iemand willen die zijn eigen lichaamsgewicht kan opheffen en die haar naar bed kan dragen, weet je wat ik bedoel?"

Leo duwde Alberts hand weg van zijn schouder.

"Doe maar. Vraag haar mee uit. Ik heb het gevoel dat ze al plannen heeft.” Dat zei Leo Reyers wel niet met volle overtuiging.

Ik wist dat je het zou begrijpen, Leo. Er is iemand je voor. Ik zal je wel laten weten hoe het met mij en haar de eerste keer gegaan is."

Albert nam afscheid. Toen hij weg was duwde Leo zich recht aan zijn bureau, bewoog zijn nek van links naar rechts om de stramheid eruit te halen en liep naar de parkeergarage.

Wacht op mij!”

Leo keek op en zag Albert Henckaerts naar hem toe rennen terwijl de liftdeuren sloten.

"Wanneer is de grote koffieafspraak?" vroeg Leo.

"Wat? O, dat! Ze heeft het druk. Over een paar maanden wil ze voor de eerste keer deelnemen aan een marathon, die van Rotterdam. Uitgaan zit er voor haar totaal niet in, zei ze. Niets aan te doen. Ik kon haar niet overtuigen. Vrouwen zijn raar."

"Dat is jammer voor je. Je hebt een perfecte houding en je kan je eigen gewicht opheffen. Stom dat ze dat niet beseft.”

"Ik weet het, Leo. Hoe dan ook, ik ga nu naar huis, onkruid wieden in de tuin.”

"Zo laat nog? Geniet van de zon, als die er nog is."

Toen de deuren op de tweede benedenverdieping opengingen liep Leo naar buiten. Toen hij dichter bij zijn auto kwam zag hij Annik met haar armen in de lucht zwaaien.

"Houd dat nog een paar dagen vol en misschien herinner ik me dan waar ik geparkeerd heb," zei hij. “Als je wil zal ik je daarvoor vergoeden."

Ik dacht dat als ik meteen begon te zwaaien, ik mijn oren zou kunnen sparen van het luisteren naar je claxon."

"Het klinkt wel niet als een claxon, maar je inzet wordt zeer gewaardeerd."

Je vriend heeft me mee uit gevraagd. Mijn excuus werkte heel goed, hoewel ik er in de verste verte niet aan denk om aan de marathon van Rotterdam deel te nemen, en aan geen enkele andere evenmin.”

Ik heb het gehoord,” antwoordde Leo. “Dat heeft hij het me op weg naar boven verteld.”

Leo krabde in zijn nek. Een beetje verlegen zei hij: “Ik vroeg me eigenlijk af of wij samen eens een koffie zouden kunnen gaan drinken? Wel moeten we een plengoffer aan de goden brengen opdat de zon zou schijnen. Ik weet ondertussen al dat jij naar adem moet happen als je in de beslotenheid van een ruimte geprangd zit.”

Annik lachte, maar ze lachte lief toen ze zei: “Je hebt zo'n elegante, een beetje pompeuze manier om met woorden om te gaan. Geef me je telefoonnummer eens."

Dat gaf Leo haar en hij keek toe hoe ze het nummer opsloeg in haar GSM.

Sms me en we komen er wel uit,” zei ze. “Je ziet maar wanneer. Nu is het mijn beurt om boodschappen te doen. Naar de Delhaize op de Luikersteenweg, dat minderwaardige gedoe van de Aldi, dat wil ik niet.”

Ze lachte haar tanden bloot en gaf Leo een duw om hem duidelijk te maken dat ze niet meende wat ze zei.

Op weg naar de Delhaize maakte Annik haar afspeellijst van “Rustige Mannen” af en keerde terug naar het begin. Ze tikte met haar vingers op het stuur en bewoog haar hoofd totdat ze het parkeerterrein van de Delhaize opreed.

Toen ze terugkwam in de Congostraat met haar boodschappen en de deur van haar appartement opendeed stond Jacky op haar te wachten. Hij had zijn tong uitgestoken en kwispelde met zijn staart.

Hebben jij en de tijger een en ander uitgepraat, of het misschien toch uitgevochten?” vroeg Annik, terwijl ze haar jas ophing.

"Jacky, ik ben iemand tegengekomen die me aanstaat. Hij is tamelijk oud, maar hij lijkt aardig. Ik weet niet zeker of hij een hondenmens is. Ik zou het hem moeten vragen. Oh, maar hij gaat me eerst moeten sms'en. Ik heb hem mijn nummer gegeven. Was dat wijs van me? Ik weet het echt niet. Misschien had ik hier goed over moeten nadenken. Ik denk er teveel aan. Denk ik er te veel over na?”

Jacky hield zijn hoofd opzij.

"Ik dacht het al. Ik denk dat een paar kilometer joggen om mijn hoofd leeg te maken precies is wat ik nodig heb."

Na het joggen, met de gootsteen vol nieuwe borden, ging Annik op de canapé zitten en zette de tv aan. Niet lang na de eerste aflevering van de nieuwe serie op Netflix over een seriemoordenaar lichtte haar telefoon op het bijzettafeltje rechts van haar op. Ze pakte hem op en las het bericht.

Dit is Leo,” zei ze tegen Jacky. "Hij wil uit met me. Meer schrijft hij niet. Voor een schrijver geeft deze man niet veel om details, nietwaar, jongen?" Ze sms'te Leo terug.

"Ben je een hondenmens?" sms'te ze.

"Ik veronderstel van niet," antwoordde hij meteen terug. "Ik heb een kat. Schrijvers zijn verplicht om ten minste één kat te hebben. Ik maak de regels niet.”

"Eerlijk ben je wel." Ze keek even naar Jacky en toen weer naar haar telefoon.

Is je kat een hondenkat?

"Niet zeker. Ik zal het haar vragen." Annik keek toe terwijl de stippen onder aan het scherm pulseerden.

"Thida weigerde commentaar te geven," antwoordde hij. "Ik zeg ‘ja’ namens haar."

"Blij het te horen. Wanneer gaan we naar Cools?”

Ik weet een betere plek. De Century aan de Luikerpoort. Je kan er binnen of buiten zitten, en je kan er veel meer krijgen dan alleen maar koffie. Ik ga er soms heen om te schrijven.”

Ben je al bereid me je geheime schrijfplek te laten zien?”

Ik zeg daar mijn ‘schrijfkasteel” tegen. Annik, dit wordt serieus. Moeten we het misschien rustiger aan doen?"

"Zoals je wil, Leo. Ik ga akkoord. In plaats daarvan morgen koffie in het stadspark aan het Cultureel Centrum na mijn werk?”

Te romantisch. Ik neem aan dat we kunnen beginnen met koffie drinken ergens waar we geen risico lopen om domme dingen te doen. Misschien in de Lunch Garden van de Carrefour dicht bij Herkenrode?”

"Ik heb gehoord dat de koffie daar te slap is, en niet warm genoeg."

"Goed dan dat ik dat weet. Ik drink nu al te veel lauwe koffie...”

Jij bent aan zet, Leo. Pijnig je hersens eens. Er moet toch ergens in Hasselt of omgeving een gezellige zaak zijn waar we van goede koffie kunnen genieten?”

De Zwaan in Godsheide. Als het fatsoenlijk weer is kunnen we daar buiten zitten. Zou volgende zaterdag in de namiddag gaan voor jou?"

Zaterdag is geen probleem. Ik kan me nu maar beter klaarmaken om naar bed te gaan. Ik zal nog even met Jacky praten over je kat Thida. Ik denk dat jij hetzelfde moet doen en haar inlichten dat hij graag met tijgers vecht. Ik breng morgen een kopje koffie in een thermos voor je mee om je van je stuur te wrikken als je weer in je auto in slaap valt.”

Ha! Ik zou dat op prijs stellen. Welterusten. Mag ik je een virtueel kusje geven, Annik?"

Dat mag je, Leo, zelfs meer dan een. Kusjes terug.”

© Bruno Roggen, Anhée, 2021


 


Submitted: June 08, 2021

© Copyright 2021 impetus. All rights reserved.

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Add Your Comments:


Facebook Comments

More Romance Short Stories

Other Content by impetus

Short Story / Fantasy

Short Story / Romance

Short Story / Romance