De Verrekijker

Reads: 92  | Likes: 1  | Shelves: 0  | Comments: 0

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Status: Finished  |  Genre: Romance  |  House: Booksie Classic

Twee broers zijn heel erg verschillend. Toch hebben ze een aantal dingen gemeen. Met de verrekijker van hun vader bespieden ze hun buurmeisje Sara, en ook doen ze mee aan het straatvoetbal...

De Verrekijker

 

door Bruno Roggen

 

 

Verwittiging:

 

Alle overeenkomsten met reëel bestaande personen en/of situaties zijn louter toevallig en vallen volledig buiten de wil, het opzet en de verantwoordelijkheid van de auteur.


 

Dat ze ooit gesnapt konden worden met hun heimelijk gedoe, dat wisten Hubert en Julien Merckx wel. Maar het kijkgenot dat de legerverrekijker van hun vader hen bezorgde woog daar ruimschoots tegenop. Die verrekijker mochten ze van hun vader Lode gebruiken, zogezegd om naar de vogeltjes te kijken. Maar Hubert en Julien vonden uit dat er wel interessantere dingen te zien vielen dan alleen maar vogels. De familie van Sara Adriaens woonde aan de overkant in hun straat, in een huis met twee verdiepingen. Het was net dichtbij genoeg het huis van de familie Merckx om met de verrekijker door hun ramen te loeren.

Tegen de tijd dat Sara, de enige dochter van bij Adriaens zestien was, Hubert dertien en Julien elf bespioneerden die twee kereltjes Sara elke avond met de verrekijker. Zij stond dan op haar kamer in tegenlicht voor haar raam zonder de overgordijnen dicht te trekken wanneer ze zich uitkleedde, precies of ze het opzettelijk deed.

Het was het best bewaarde geheim van de twee jongens dat ze dit meisje beter kenden dan iemand had verwacht, in visuele zin dan. Tot dan toe had geen van de twee ooit een woord met Sara gewisseld.

Hun moeder en mevrouw Adriaens waren goede vriendinnen, dat wil zeggen, zo goede vriendinnen als vrouwen maar kunnen zijn. Ze dronken samen een rituele middagkoffie aan een van de identieke tafeltjes met verchroomde poten en met een Formica blad in elkaars keuken. Het koffiedrinken werd meestal aangevuld met kleine speculaaskoekjes van Lotus of Prince Fourré koeken die symmetrisch op een bord waren gerangschikt. Ze zouden eerst de mooie rozetvormen aanschouwen, dan een kort gebed uitspreken om ondanks de koeken slanker te worden, dan het koekje in hun koffie dopen terwijl ze bespraken wat het ook is waar moeders over praten. Met theelepeltjes schepten ze de laatste, zoete, kleverige restanten speculaas uit hun kopjes.

Soms voegde Pater Gerardus van de Kruisheren zich bij hen. Waar ze het dan over hadden was een raadsel. Het dient gezegd dat er bepaalde geruchten over Pater Gerardus de ronde deden. Hij had een reputatie bij de dames. Er werd gespeculeerd over zijn relatie met Zuster Veronica, de directrice van de lagere school. Ook circuleerden er wilde geruchten over de gang van zaken tussen de Kruisheer en de leden van een dameskoor dat hij dirigeerde.

Telkens vader Merckx erachter kwam dat zijn vrouw en mevrouw Adriaens Pater Damianus hadden op bezoek gehad was zijn reactie altijd:

"Wat wou die schijnheiligaard deze keer in godsnaam?"

Maar die brave man is geen gevaar voor onze deugd,” beweerden de twee vriendinnen dan. “Hij is niet voor de vrouwen, dat is toch algemeen geweten.”

Als homoseksueel beschouwd worden was de perfecte dekmantel, dachten Hubert en Julien. Hun moeder antwoordde hun vader altijd: “Pater Gerardus is een heilige. Hij helpt ons om betere katholieken te worden. Je zou zelf wel wat meer interesse voor de godsdienst kunnen gebruiken!”, waarop hun vader met zijn ogen rolde.

Heilige? Een regelrechte vrouwenloper!” zou hij mompelen. Het was duidelijk dat Lode Merckx alleen naar de kerk ging om zijn vrouw te plezieren. Hij had veel gelezen, wel weinig stichtende teksten. Om zijn vrouw en mevrouw Adriaens te koeioneren wees hij er geregeld op dat "de geschiedenis van de heiligen meestal de geschiedenis is van krankzinnige mensen." Lode Merckx deed alsof dat citaat van hemzelf kwam, maar dat was gelogen. Het kwam van een of andere anticlericaal, dat was duidelijk.

Julien vertelde in hun buurt rond dat zij familie waren van de legendarische ‘kannibaal’ Eddy Merckx. Of dat waar was en hoe dit kon werd nooit in twijfel getrokken, en het diende niet uitgelegd. Julien bewees keer op keer dat als een verhaal lang genoeg onbetwist blijft, hoe absurd het ook is, het waar zal worden vanwege zijn lange levensduur. Het aura van grootsheid dat de leugen over Eddy Merckx bijbracht gaf hem een onzichtbare voorsprong in de eindeloze straatvoetbalwedstrijden die het hele jaar door in hun straat plaatsvonden. Een echte voetbal hadden ze niet. Die werd vervangen door een veel misbruikte tennisbal die in een gepantserd projectiel veranderde nadat hij in de winter doordrenkt was met water en daarna bevroren. Als iemand hard tegen die tennisbal trapte werd die een te vrezen projectiel. De grote Guido Thielens was op die manier zijn voortanden kwijtgeraakt en droeg al een vals gebit van toen hij vijftien was.

Helaas bleek Hubert Merckx een mislukkeling te zijn in straatvoetbal en elk ander spel, van hinkelen tot kaartspelen, in tegenstelling tot zijn broer Julien die zelfs al op negenjarige leeftijd uitblonk in competitieve sporten. Ook was hij een genie in kwajongen, twee tegen twee. Dat kaartspel dat hij en zijn papa Lode obsessief samen speelden tegen andere kaartspelers voor centen zorgde ervoor dat Julien al op negenjarige leeftijd drie keer zoveel zakgeld had per week dan zijn oudere broer.

Hubert was altijd de laatste die werd opgeroepen als de voetbalploeg uit hun straat tegen een andere straat ging spelen op de parkeerplaats van de parochiezaal of op in het park achter het Cultureel Centrum. Als hij toch mocht meedoen stond hij vast in het doel, in de winter een doelwit voor bevroren tennisballen.

De aantrekking die Hubert had tot boeken en zijn ernstig gebrek aan aanleg voor meer mannelijke bezigheden werd weerspiegeld in de houding van hun vader ten opzichte van zijn twee zonen en hoe hij die uitdrukte.

De sportieve bekwaamheid van Julien werd aan familieleden en vrienden verkondigd en geprezen, terwijl zijn matige schoolprestaties werden verdoezeld. De tolerantie van Lode Merckx voor Hubert hing af van zijn respect en angst voor zijn vrouw. Lang geleden had hij er zichzelf al van overtuigd dat Hubert een verwijfd ‘moederskindje’ was, een echt ‘suikermannetje’ en daarom nooit goed zou zijn in iets dat zijn aandacht waard was.

Erger nog, Hubert was voor Lode Merckx eigenlijk een pleegkind. Onder dwang van zijn vrouw en die haar familie had hij Hubert in het gezin opgenomen toen die zeven was. Daarom leek hij in geen enkel opzicht op zijn vader. De band met de familie was er alleen via zijn moeder. Die had haar eerste kind per ongeluk ‘opgeraapt’, en nooit had ze willen zeggen wie eigenlijk de natuurlijke vader van Hubert was. Het was een tikkende tijdbom in het huwelijk van zijn ouders, maar dat zou Hubert pas weten als het al te laat was.

Zelfs hun mama leek verbijsterd over de duidelijke verschillen tussen haar twee jongens, ofwel deed ze alsof. Die verschillen werden duidelijker werden naarmate ze ouder werden. Er was op de duur gewoon niets gemeenschappelijks aan de twee broers. Julien was groot voor zijn leeftijd en goed gebouwd, met zandkleurig haar en blauwe ogen. Hubert was onvolgroeid en mager, met donkere ogen, zwart haar en een donkerder huidskleur dan Julien.

Op een dag arriveerde mevrouw Adriaens voor hun middagkoffieklatsj met een kartonnen bananendoos van Fyffes gevuld met Sara's afgedankte kledingstukken. Die was ze van plan was af te geven bij de kringloopwinkel Okazi dichtbij het tankstation van Bruno op de Naamsesteenweg. Moeder Merckx kon het niet laten om in de doos te scharrelen en zich een weg te banen door alles. Omdat ze geen eigen dochter had om te aaien en te vertroetelen genoot ze van de schattige katoenen zonnejurken, zijden blouses en ondergoed waaraan de dochter van haar vriendin was ontgroeid. Sara gooide die weg nu ze voorbij was aan haar puberteit en meer leek op jonge een vrouw dan op een aankomend meisje.

Toen mevrouw Adriaens wegging vergat ze haar bananendoos. Mama Merckx had ze handig bij de keukendeur gezet, in de verwachting dat die de volgende dag wel zou worden opgehaald door mevrouw Adriaens.

Die nacht, nadat alle lichten in het huis uit waren en het gezin Merckx naar bed was gegaan daalde Hubert de trap af naar de keuken voor een glas melk en wat er over was van de speculaaskoekjes. Dat deed hij al eens meer, in plaats van slapeloos naar het plafond te staren terwijl de anderen in een koor snurkten dat duidelijk aan de overkant van de straat te horen was. Toen hij beneden het licht aandeed zag hij de kartonnen doos. Nieuwsgierig, net als zijn moeder, begon hij erin te snuffelen. Hij vouwde elk kledingstuk open en hield een zacht, zijden slipje en een glad roze onderhemdje voor zijn gezicht. Hij ademde hun lichte amandelgeur in die hij daarna altijd associeerde met Sara en haar naakte beeld in de verrekijker. Hij wierp zijn pyjama van zich af, trok Sara’s hemdje en slipje aan en deed zijn pyjama er weer overheen. Het voelde zo vreemd sensueel aan, alsof Sara zelf hem in haar gladde armen en dijen had omklemd.

Hij deed het licht uit en haastte zich naar boven naar de slaapkamer die hij deelde met Julien die nog steeds lag te snurken in het bovenste stapelbed. Zelfs een nucleaire explosie had hem niet kunnen wakker krijgen. Hubert luisterde even naar de bastonen van zijn vader die uit de kamer aan de andere kant van de gang kwamen, kroop toen onder de warme dekens en viel in een diepe en rustgevende slaap.

Natuurlijk kon Hubert niet blijven rondlopen met Sara’s ondergoed aan. Daarom verborg hij ‘s anderendaags die gestolen schatten achter een losse plank in de grenen lambrisering van hun slaapkamer. Alleen hij kende die geheime bergplaats, en hij haalde het ondergoed van achter de plank wanneer hij zich depressief voelde. Dat gebeurde regelmatig nadat hij door zijn vader was berispt voor een echte of ingebeelde overtreding van de regels die in het gezin golden. Op die momenten sloop Hubert naar boven om in het hemdje en het slipje te glippen totdat hun amandelgeur na verloop van tijd veranderde in de zure geur van botermelk, waar bijna alles in hun huishouden naar rook.

Op een dag kondigde hun moeder aan dat zij en haar man de volgende avond samen zouden naar de Trioscoop gaan en dat Sara zou komen om op de twee broers te passen. Julien ontving het nieuws met een ondeugende grijns op zijn brede gezicht. Later in bed beschreef hij Hubert tot in de kleinste details wat hij van plan was met de oppas te doen zodra hun ouders de deur uit waren. Ze haalden de verrekijker uit de lade van de kast die langs hun kamer op de gang stond. Ze gingen heimelijk ieder aan één kant van hun raam staan om als het moment daar was uit te loeren hoe Sara zich uitkleedde. Die avond hadden ze geen geluk. Sara kwam wel voor het raam staan, maar met haar rug naar hen toe. Ze had zich al voor een stuk uitgekleed. Maar haar zwarte onderbroek en haar topje, die trok ze niet uit terwijl de jongens het konden zijn. Het was precies of ze die kereltjes wou tarten. Julien vloekte zacht zijn frustratie weg, en Hubert dacht aan haar frulletjes die hij zo erg koesterde...

Julien was, op zijn zachtst gezegd, vroegrijp voor zijn leeftijd en had een bijna fotografische herinnering aan alles wat hij ooit had gezien of gehoord dat als erotisch of zelfs pornografisch kon worden beschouwd. In die zaken was hij de best geïnformeerde elfjarige van de hele buurt. Andere jongens keken naar hem voor leiding en inspiratie. Onder zijn matras op het bovenste stapelbed bewaarde hij verschillende tijdschriften zoals Hustler, Playboy en Lust Magazine die hij van hun vader had weggekaapt. Die verstopte op zijn beurt de meest recente nummers onder zijn ondergoed in de bodem van zijn ladenkast, alsof zijn vrouw er niet aan zou denken om onder een stapel sokken en onderbroeken die ze zelf had gewassen de tijdschriften van die maand te vinden...

Tot de verbazing van de twee broers bleek Sara een ervaren en bekwame babysitter te zijn. Zij vrolijkte de jongens op met luimige verhaaltjes, elegante danspasjes en een aantal acrobatische turnoefeningen die de broers versteld deden staan.

Om stipt half elf, het uur dat ze met moeder Merckx had afgesproken, commandeerde Sara met de stem van een sergeant-majoor de twee jongens naar bed te gaan. Julien bleek een en al rook en geen vuur te zijn, en ging gehoorzaam naar boven waar hij meteen indommelde, zich niet bewust dat een knap zestienjarig meisje televisie aan het kijken en chips aan het eten was beneden, hetzelfde meisje dat ze ontelbare keren hadden bespioneerd als zij voor de twee broers avond na avond haar striptease deed en daarna nog even naakt door haar slaapkamer paradeerde voordat ze de overgordijnen dichttrok.

Terwijl Hubert slapeloos in het onderste bed lag hoorde hij al snel de deurbel. Nieuwsgierig kroop van zijn matras, ging op de toppen van zijn tenen naar de bovenkant van de trap, en luisterde. Hij kon nog net Sara's voetstappen onderscheiden die de naar de voordeur gingen, en toen klonk er een gedempte mannenstem in de gang. Het leek een eeuwigheid te duren voordat hij de voordeur weer dicht hoorde gaan en twee paar voeten stilletjes op de met tapijt beklede trap opliepen. Hij kroop snel terug in bed, trok de dekens tot tegen zijn kin en deed alsof sliep. Hij kon het gefluister van Sara en de vreemde man horen buiten op de overloop voordat de slaapkamerdeur van zijn ouders dicht klikte...

De volgende dag was zaterdag en een uitzonderlijk koude dag voor midden december. De straten waren bedekt met ijzel. Julien kwam naar boven met twee treden tegelijk de trap op gesprongen om te zien hoe ver Hubert gevorderd was. Hij moest voor rekenen van meester Cools een extra huiswerk maken, simpelweg omdat hij zijn mond niet had kunnen houden gedurende twee minuten voordat de bel voor het einde van de lessen vrijdag ging. Hubert had de taak voor zijn broer gemaakt. Die moest later nog enkel de bewerkingen en de cijfers kopiëren op een apart blad en er zijn naam bovenaan op krabbelen.

Buiten in de straat was er een voetbalwedstrijd aan de gang en ze hadden een keeper nodig. Er werd op Hubert geroepen. Het was geen verzoek, maar een direct bevel: "Pak je keepershandschoenen en kom direct."

De twee broers gingen naar beneden. Ze kwamen voorbij papa Lode en oom Toon die onderuitgezakt aan de keukentafel naar zes lege blikken Jupiler staarden. Er stonden er ook nog wel zes volle naast. Ze stopten met praten toen ze de jongens zagen. Ze voelden zich misschien schuldig omdat ze midden op de dag betrapt waren op het slurpen van bier, vooral op zaterdag, wanneer oom Toon meestal nodig was in zijn kruidenierswinkel. Hij had daar aan Jacky Jackers de leiding gegeven, een kerel die zelfs in de beste tijden onbetrouwbaar was en wiens vrouw, Fina, onlangs onder mysterieuze omstandigheden was verdwenen.

Hé, Julien,” riep oom Toon, “Ontzie ze niet! Maak ze in! 7-0, dat is mijn pronostiek.”

Julien hoorde het niet meer. Hij was al door de deur. Hubert draaide zich gewoon om en haalde zijn schouders op toen de twee dronken mannen in lachen uitbarsten.

Op weg naar buiten pakte Hubert de verweerde keepershandschoenen die in de ‘modderkast’ buiten langs de keukendeur werden bewaard.

Het voetballen verliep niet zoals anders. Sommigen dribbelden de bevroren tennisbal voorbij een tegenstander, soms ook twee, maar dan gingen ze onherroepelijk plat op hun buik door de gladheid van de straat. Telkens als er een auto in de straat verscheen kwam het spel tot stilstand.

Hubert nam zijn gebruikelijke positie in het doel in. Hij had schot na schot gemist en al vier goals laten scoren. Zijn broer, die zoals altijd in het andere team zat, had twee keer gescoord en zijn kant laten juichen. Na elke goal beledigde hij tegelijkertijd Hubert omdat die zo'n slappe keeper was.

Terwijl hij verkleumd in het doel stond zag Hubert hun vader en oom Toon door de keukendeur wankelen en door de achtertuin naar de baan en het wedstrijdje komen kijken. Dat vond Hubert niet echt fijn. Julien zou hem af en toe een redding toestaan en dan aan zijn vrienden laten zien hoe gemakkelijk hij de keeper kon in de luren leggen. Het was een feit dat het ploegje van Hubert het even goed had kunnen doen zonder dat iemand daadwerkelijk in het doel stond.

Van uit een ooghoek ving Hubert een vluchtige glimp op van Sara in haar raam boven op haar kamer. Ook zij keek naar de gang van zaken in de straat. Hubert voelde haar gladde zijden hemd en slipje kleven tegen zijn huid. Die had hij eerder die morgen onder zijn eigen kleding aangetrokken. Hij beantwoordde haar blik toen een andere bevroren tennisbal langs zijn schouder het doel in zeilde.

Zijn vader en oom Toon zetten hun bierblikjes op de bovenste reling van het achtertuinhek en mengden zich in het strijdgewoel, net alsof ze beleefd hadden gevraagd om mee mogen te doen. Het succes van het voetballen werd een kwestie van gestalte. De twee volwassenen en de grotere jongens namen het over. Ze begonnen de tennisbal tussen elkaar heen en weer te jagen, de straat af en weer terug, lachend en wild gebarend naar elkaar.

Plots stopte Lode Merckx met Hubert aan te kijken, op zijn plek vastgenageld en starend alsof hij voor een enorme beslissing stond. Het licht in zijn bleke ogen was plotseling het meest angstaanjagende dat Hubert ooit had gezien. Hij hief zijn voet op voor een schot. Omdat Hubert geen spier kon bewegen, staarde hij sprakeloos naar de keiharde bal op hogesnelheidskoers. De impact was die van een sneltrein. De kracht van zijn vaders moordend schot dat op zijn linkeroog belandde wierp Hubert achterover. Met zijn achterhoofd viel hij op het ijskoude beton van de straat, en toen ging voor hem het licht uit...

Een jongen gilde: "Je vader heeft tegen jou gescoord!"

Zijn broer Julien schreeuwde: "Sta op, watje, hij heeft je in je gezicht getrapt, maar zo erg is dat niet!"

Opstaan kon Hubert niet. De voetballers droegen hem in het huis naar binnen en legden hem met zijn kleren aan op zijn bed. Toen hij na een tijdje weer boven water kwam stond Sara over hem heen gebogen.

Hoe gaat het met je?” vroeg ze. “Je hebt wel een fameuze bult op je achterhoofd en een pracht van een blauw oog, helemaal gezwollen… Zie je nog goed?”

Hubert knipperde met zijn ogen en zei:

Ik denk het wel. Jou zie ik toch goed.”

Fijn dan.” lachte ze. “Voor wat nu komt zal je geen verrekijker nodig hebben.”

En Sara Adriaens maakte de knoopjes van haar bloesje los en trok op haar rug de rits van haar rokje naar beneden.

© Bruno Roggen, Anhée, 2021


 


Submitted: June 11, 2021

© Copyright 2021 impetus. All rights reserved.

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Add Your Comments:


Facebook Comments

More Romance Short Stories

Other Content by impetus

Short Story / Fantasy

Short Story / Romance

Short Story / Romance