De Bloemen van Tema

Reads: 92  | Likes: 0  | Shelves: 0  | Comments: 0

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Status: Finished  |  Genre: Fantasy  |  House: Booksie Classic

Een man kan niet over het verlies van zijn vrouw heenkomen. Daarom probeert hij in de eenzaamheid van de natuur terug tot rust te komen en zijn geestelijk evenwicht terug te vinden...

De Bloemen van Tema

 

door Bruno Roggen

 

Cover: foto door ALESSA ABRAMOFF

Verwittiging:

Alle overeenkomsten met reëel bestaande personen en/of situaties zijn louter toevallig en vallen volledig buiten de wil, het opzet en de verantwoordelijkheid van de auteur.


Na jaren van pijn was Helena gestorven aan een slepende, ongeneeslijke ziekte. Haar man Johan had het wel zien aankomen, maar toch was hij ontroostbaar na het overlijden van Helena. Zijn rouwen bleef maar duren, en zijn familie en vrienden maakten zich ongerust over hem. Zij probeerden hem op alle mogelijke manieren te troosten, maar het hielp niet. Johan sloot zich op in het huis waar hij meer dan twintig jaar lang geleefd had met Helena. Zelfs overdag trok hij de overgordijnen dicht.

Zo kon het niet blijven duren. De mensen die om hem gaven waren bang dat hij in een depressie zou belanden waar hij nooit meer uitraakte. Zij kwamen samen en bespraken Johans situatie. Nadat ze overlegd hadden ging een delegatie van drie mensen naar Johan toe. Zij hadden een voorstel voor hem, en ze hoopten dat hij daarop zou ingaan:

Je moet hier even weg,” zeiden ze. “Al is het maar voor een week. Waarom huur je geen vakantiehuisje in Molenheide, op Hengelhoef of zo? Dat zal je gedachten verzetten, want dat heb je echt nodig. Je zal zien, dat ga je fijn vinden.”

De mensen bedoelden het goed, maar ze hadden het mis. Het was iets meer dan een jaar geleden dat Helena gestorven was. Hun poging om Johan uit zijn met verdriet gevulde verdoving te wekken was lovenswaardig, maar naar Molenheide of een ander vakantiedomein wou hij in geen geval. Wel hadden ze Johan op een idee gebracht: hij vond het een goed idee om ergens in de natuur te gaan kamperen zoals hij dat vroeger deed. Hij besefte na het bezoek van zijn vrienden dat hij zichzelf uit het huis moest krijgen…

Om voor de hand liggende redenen wou hij niet naar de gebruikelijke plekken waar hij ooit met Helena was geweest. Hij bekeek de kaart van Limburg. Na even wikken en wegen vond hij een plek die hem aanstond. Bosland, daar was hij nog nooit geweest. Daar zou Johan gaan kamperen op zijn eentje. Er was daar mogelijkheid om te genieten van meer dan 400 km wandelplezier door loofbossen en naaldbossen. Wandelen, dat was Johan van plan, maar vooral wou hij zich bezinnen en zijn geestelijk evenwicht terugvinden.

Hij reed naar Eksel. Vanaf de Vlasmeerstraat achter de autokeuring nam hij een smal pad en waagde hij zich dieper en dieper in het bos. Hij wou ver weg van alles of iedereen die hij kende. Toen hij het weer controleerde zei zijn telefoon zei dat er regen op komst was. Toch besloot Johan door te gaan, ondanks dat de lucht eruitzag alsof er meer zou komen dan een 'lichte bui'.

Zo gebeurde het ook. Na een uur wandelen en zonder dat hij voorlopig een plaats gevonden had om zijn tent neer te planten ging de lucht open en kwam er een ware zondvloed op hem neer. Tot overmaat van ramp nam hij een verkeerde beslissing: hij besloot in plaats van zich om te draaien en terug naar Eksel te gaan, door te stappen.

In de striemende regen raakte Johan op de een of andere manier van het pad af. Toen hij probeerde terug te keren op zijn stappen raakte hij verdwaald. Tot overmaat van ramp verloor hij zijn telefoon.

Diep in de krochten van zijn grijze hersenmassa wist Johan dat hij het best kon ophouden met ronddolen, zijn tent opslaan en blijven waar hij was. Maar in plaats daarvan dwaalde hij nog uren rond. Steeds dieper drong hij het bos in. Tenslotte was het aardedonker. Johan was uitgeput. Zij tent zette hij niet op. Echt nodig was dat ook niet, want de regen was opgehouden. Doodmoe legde hij zich te slapen onder het dichte bladerdek van een grote eik, met zijn hoofd op zijn rugzak.

Bij het ochtendkrieken werd hij wakker. Al zijn spieren deden hem pijn. Toch begon hij opnieuw te marcheren. Na ongeveer een kwartier liep hij uit het bos een weiland in in het vroege ochtendlicht. Daarachter lag er een groot tarweveld. Dat was een opsteker. Dit leek al meer op de bewoonde wereld. Als hij in de wildernis moest sterven van uitputting en ontbering waren er ergere plaatsen…

Het gras was nog vochtig van de regen van de vorige avond. Het was stil, met slechts een paar vogels die floten en af ??en toe een krekel die sjirpte. Toen zag hij het. Eerst dacht Johan dat hij hallucineerde. Speelde zijn geest hem parten? Er liep een jonge vrouw in de wei. Dat feit alleen zou niemand aan iets ongewoons doen denken. Er waren ‘dauwtrappers’, zowel mannen als vrouwen die ‘s morgens al erg vroeg op pad waren. In dit geval was het toch anders. Deze vrouw had ook geen kleren aan en alleen maar een krans van blauwe korenbloemen rond haar hoofd. Dat was weer een beetje vreemd, maar het buitenleven trok meestal vrijgevochten types aan. Het vreemde was dat terwijl ze liep, velden met wilde bloemen achter haar openbloeiden...

Johan kon zijn ogen niet geloven. Hij staarde met zijn mond open naar de jonge vrouw toen ze hem opmerkte.

"Oh excuseer," zei ze. "Ik dacht dat ik dit deel van het Bosland voor mij alleen had."

"Ik… eh... ik denk dat ik misschien droom." zei Johan.

Nee, dat doe je niet. De vogels zingen al de hele ochtend over een verdwaalde wandelaar. Ik denk dat je nu niet meer verdwaald bent.”

Maar de bloemen die na elk van je stappen uit de grond komen?” vroeg Johan, wijzend naar de klaprozen, de blauwe korenbloemen en al de andere wilde bloemen die in een oogwenk groeiden na elke stap die de vrouw zette.

"Oh, de bloemen… Ik dacht dat de plaats na de regenbui wel wat verfraaiing kon gebruiken."

"Ik weet niet helemaal zeker wat er aan de hand is. Voor mij lijkt het onwezenlijk." zei Johan aarzelend.

Tja, je hebt een zware nacht gehad. Laten we ervoor zorgen dat je ergens kunt rusten. Eerst laat ik je even alleen.”

Ze liep van Johan weg en dook in het rijpende koren. Even zag hij haar niet meer. Toen ze terug recht kwam tussen de korenaren was ze niet meer naakt, maar had een fleurig kleedje aan, ook met bloemmotieven.

Ze kwam naar Johan toe, pakte zijn hand en ze liepen terug door het bos tot ze een klein dal bereikten. Het was magisch. Er liep een beek die uitmondde in een vijver met het helderste water dat Johan ooit had gezien, en een grote eik die zo breed was dat de onderkant van de stam in een kleine hut was veranderd.

Ga hier zitten,” zei ze terwijl ze Johan op een houten bankje wees dat leek op een paddestoel. “Je moet honger hebben. Wacht een ogenblik. Ik ben zo terug."

Ze kwam terug met een houten schaal gevuld met bessen en een klein stenen kroesje met water. Johan at en dronk en voelde zich al snel veel beter. Zelfs de stramheid verdween uit zijn spieren.

"Wat is dit hier allemaal?" vroeg hij.

"Dit is mijn huis."

"Hoe heb je dat gemaakt, in die harde eikenstam?"

Ik heb het niet zelf gemaakt. Het bos deed dat voor mij.”

"Meen je dat?"

"Ja."

Op dat moment realiseerde Johan zich dat hij met een soort bosgeest sprak, of een fee. Maar dan bedacht hij een andere mogelijkheid:

"Ben jij moeder natuur?"

Zo noemen sommige mensen mij. Ik heb het nooit helemaal flatteus gevonden. Bovendien ben ik veel te jong om iemands moeder te zijn.”

"Hoe oud ben je dan?"

Wel, het is een beetje moeilijk om dat precies te zeggen. Maar ouder dan jouw soort, de homo sapiens, dat is zeker. Maar toch, ik ben de jongste van de Ouden.”

"Ik snap het. Hoe moet ik je dan noemen?"

"Alle Ouden noemen me Tema, zonder ‘h’ na de ‘t’."

"Ha, ik begrijp het, een samentrekking van ‘Terra Mater’, niet?"

Je bent de eerste die dat snapt!” lachte Tema.

Johan hield van de Romeinen. Hij vond ze fascinerend. Dat was voornamelijk de verdienste van Vero Thomis, een lerares Latijn die hij op de middelbare school had gehad.

Wow,” dacht Johan, “Ze zag de opkomst en de ondergang van het Romeinse Rijk. Mijn collega's zouden jaloers zijn. Stel je een historicus voor die iemand mocht interviewen die gezien had hoe het Colosseum werd gebouwd.”

"Verandert je haar van kleur?" vroeg hij plots aan Tema. Haar haar scheen van ros naar blond en dan naar bruin te gaan.

Ja, dat doet mijn haar. Meestal heb ik het onder controle. Maar vandaag doet het zijn eigen ding.”

"Heb je het niet koud met alleen je dunne zomerkleedje?" vroeg hij. Het was zomer, maar de ochtend was toch erg fris. Hij had het koud door zijn natte kleren.

Nee, niet echt, hoewel ik denk dat ik me beter wat dikker kan kleden.”

Tema knipte met haar vingers en er kwam uit de begroeiing omheen de vijver een mosgroene jekker tevoorschijn die, dacht Johan, geweven was uit biezen.

"Ben je getrouwd?" vroeg Tema toen ze de ring om Johan zijn vinger opmerkte.

"Ja."

Dan moeten we je terugbrengen naar waar je vandaan komt. Je vrouw zal zich zorgen maken.”

Eigenlijk niet. Er is geen haast. Zij is vorig jaar overleden.”

"O, het spijt me zo!"

"Maar nee, dat is in orde. Daarom kwam ik naar hier, naar Bosland. Ik probeerde mijn gedachten af te leiden en weer tot rust te komen.”

"Je mist haar enorm, nietwaar?"

"Met elke vezel van mijn wezen."

Zij was relatief jong toch? Naar jouw maatstaven?”

Zij had kanker. Het was heel plots, en het ging allemaal erg snel. We wisten niet eens dat zij ziek was.”

"Oh, maar dat is verschrikkelijk!"

Ik wou dat ik haar weer kon zien. Ik wil weten dat zij in orde is, waar ze nu ook is."

Tema dacht even na en zei toen:

Ik heb een idee. Kom met mij mee."

Ze gingen naar een ondiep deel van de vijver dat eruitzag als een vogelbad.

"Zo houd ik alles in de gaten," zei Tema terwijl Johan in het water tuurde. “Nu moet ik je wel zeggen: ik heb niet veel invloed op de andere kant. Mijn krachten zijn beperkt tot het rijk van de levenden. Maar ik heb een paar trucjes in petto. Kijk maar."

Johan boog zich voorover en tuurde in het water. Hij zag niets anders dan mijn spiegelbeeld.

Kijk dieper,” zei Tema. “Doe een inspanning.”

Dat deed Johan en hij zag Helena. Zijn vrouw glimlachte en zag er gelukkig uit. Zij zat in een hut die hij niet herkende.

"Is dat waar ze nu is?" vroeg Johan aan Tema.

"Ja, dat is haar rustplaats."

"Kijk ik naar de hemel?"

"De hemel… Tja, min of meer. Zo werkt het niet, het is… wel ja, het is ingewikkeld.”

De rest van de dag bleef Johan in de plas water kijken. Het begon donker te worden toen Tema hem vroeg:

"Ik kan je terugbrengen als je wilt. Naar Eksel, of naar Pelt, zoals je verkiest."

Nee, dat hoeft niet. Ik wil eigenlijk niet terug. Thuis is er niets voor mij. Kan ik hier blijven?”

"Met mij?"

"Ja, als je daar niets op tegen hebt. Ik denk dat ik hier in Bosland me wel goed kan voelen."

Er iets op tegen heb ik niet. Wel moet je niet proberen om mij te versieren. Ik ben geen gewone vrouw, dat zal je wel begrepen hebben.”

Dat ben ik ook niet van plan. Het is gewoon omdat ik hier mijn eigen kleine heiligdom zou kunnen vinden."

O, er is hier ruimte genoeg. Ik zou het zelfs fijn vinden. Het kan hier eenzaam worden.”

"Wel, ik ben hier nu."

"Weet je, ik heb al heel lang geen vriend meer gehad die geen boom of vogel was," zei Tema lachend. “Het zal misschien een totaal nieuwe ervaring worden met een man van vlees en bloed in de nabijheid.”

En zo bracht Johan de rest van zijn dagen door met de natuurgodin Tema. Ze woonden samen in Bosland waar Tema liet zien hoe ze voor het bos zorgde. Johan hielp haar waar hij kon, maar meestal hielden ze elkaar gewoon gezelschap en plaagden ze elkaar met vragen over de geschiedenis, vooral de Romeinse.

En elke dag tuurde Johan diep in de magische vijver en keek hij naar Helena in afwachting dat het zijn tijd was om naar haar toe te gaan.

© Bruno Roggen, Anhée, 2021


 


Submitted: July 04, 2021

© Copyright 2021 impetus. All rights reserved.

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Add Your Comments:


Facebook Comments

More Fantasy Short Stories

Other Content by impetus

Short Story / Fantasy

Short Story / Romance

Short Story / Romance