Tunnelzicht

Reads: 86  | Likes: 0  | Shelves: 0  | Comments: 0

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Status: Finished  |  Genre: Science Fiction  |  House: Booksie Classic

De rust van een echtpaar wordt zwaar verstoord door tunnelwerken die tot erg laat op de avond blijven doorgaan. Ten einde raad gaat de echtgenoot zijn beklag maken bij de tunnelbouwers...

Tunnelzicht

door Bruno Roggen


Verwittiging:

Alle overeenkomsten met reëel bestaande personen en/of situaties zijn louter toevallig en vallen volledig buiten de wil, het opzet en de verantwoordelijkheid van de auteur.

 

In het huis was het niet meer te harden. Het lawaai buiten was nog steeds bezig om bijna half elf ‘s avonds. Op bepaalde momenten beefde het huis op zijn grondvesten. André Vanschoonbeek kon er niet meer tegen:

Ik ga naar buiten voor een wandeling,” riep hij, temidden van de herrie. “Niet lang, even maar. Daarvoor is het vandaag te koud. Het ziet er zelfs uit of het gaat sneeuwen. En dat verdorie nu het al half maart is!”

Je hebt gelijk. Doe dat!” schreeuwde zijn vrouw Thonia Verroken terug, waarbij haar stem weerkaatste tegen de trillende vensters van hun woonkamer. “En terwijl je toch onderweg bent, waarom loop je niet naar de bouwwerf en zeg je dat ze het lawaai moeten minderen. Het is bijna middernacht.”

Prima!” antwoordde André, en hij zorgde ervoor dat zijn stem minstens vijf decibel luider was dan die van Thonia. “En als ik terug ben, vertel je me misschien wat je in het weekend echt op je school doet.”

Hij sloeg de voordeur hard achter zich dicht om zijn zin kracht bij te zetten. Of Thonia een affaire had met iemand op haar school, of waar dan ook, dat wist André niet zeker. Vermoedens had hij wel, bewijzen niet. De waarheid was dat André Vanschoonbeek geïrriteerd was. Meer nog dan het vermoeden dat ze vreemdging ergerde het hem aan Thonia dat ze zoveel tijd aan haar werk besteedde en weinig tijd voor hun twee overliet. Maar André ergerde zich ook aan zichzelf omdat hij toestond dat hun leven deze holle staat van naast-elkaar-leven zonder meer aan het bereiken was. De afgelopen twee jaar had Thonia's ambitie om onderdirectrice op haar school te worden hen ervan weerhouden om op vakantie te gaan. Zelfs een enkele vrije dag zou haar plan verpesten. Ze waren ook geen enkel weekendje meer samen weg geweest in het laatste jaar. Wanneer was de laatste keer dat ze de liefde hadden bedreven? Dit jaar, na bijna zeven maanden nog niet, dat was zeker.

Thonia en André ontmoetten elkaar elke avond na hun werk voor het diner bij McDonalds in Kuringen ofwel in de Lunch Garden van de Carrefour op de Herkenrodedreef. Daarbij voerden ze oppervlakkige praatjes over hoe hun dag geweest was. Eens thuis was het tijd om op hun afzonderlijke Netflix-series af te stemmen...

Veel vertrouwen in wat Thonia hem vertelde had André niet. Maar over één ding had ze gelijk: het bouwlawaai in hun buurt was eindeloos en nodeloos luid. Nu het bijna lente was probeerden ze te slapen met open ramen, maar dat was onmogelijk. De VIW (Vlaamse Infrastructuur Werken) waren in de Rode Rok in Kuringen al een tunnel aan het bouwen sinds zij negen jaar geleden introkken in hun huis in de Sperwerstraat, of misschien al veel eerder. Hoe lang duurde het om een tunnel te maken? Zeker niet langer dan een decennium. Het was tijd om een standpunt in te nemen om in ieder geval het slaapgedeelte van hun leven te verbeteren.

Hé, jongens,” schreeuwde André Vanschoonbeek, in de hoop dat ze hem door de cementmolens, de drilboren en de pikhouwelen heen konden horen. “Mensen hier in de buurt proberen te slapen. Er is een wet tegen bouwactiviteit na 20 uur.”

Dat zei Vanschoonbeek zomaar uit de losse pols. Hij wist niet zeker of dat waar was, maar hij was boos genoeg om dingen te verzinnen. Hij voelde stoom uit zijn hoofd opstijgen.

"Kunnen jullie ons laten slapen?"

"We zullen binnenkort klaar zijn voor vandaag," antwoordde een van de arbeiders, een man in de minst stoffige kleren, die waarschijnlijk de ploegbaas was. “Nog even geduld.”

"Wanneer is binnenkort?" Vanschoonbeek tikte op zijn horloge.

"Wanneer u maar wilt, meneer." was het rare antwoord van de ploegbaas.

"Hoe zit het met nu onmiddellijk?" vroeg André. Hij kneep zijn ogen dicht tot spleetjes.

De ploegbaas gaf hem gelijk: "Ik denk dat het nu een goed moment is."

Op zijn teken legden de arbeiders hun gereedschap op een houten, rechthoekige tafel op enkele meters van de ingang van de tunnel. Een van hen draaide een schakelaar om, waardoor de betonmixer tot zwijgen werd gebracht. Eenstemmig haalden de werklui diep adem, alsof ze al de hele tijd op dit moment hadden gewacht. De zes arbeiders leunden tegen de buitenkant van de tunnel, terwijl de voorman André Vanschoonbeek bleef aankijken. Die man leek halverwege veertig te zijn, met kortgeknipt haar dat bijna, maar niet helemaal, een ronde Jommekessnit had, een dikke, zwarte bril, en vreemd genoeg voor een bouwwerf, een elegante rijbroek en zwarte laarzen om paard te rijden.

"Waar gaat deze tunnel eigenlijk naartoe?" vroeg Vanschoonbeek. De ingang van de tunnel, groot genoeg voor een persoon maar niet voor een auto, begon ongeveer vijftig meter het veld in tussen de Sperwer- en de Buizerdstraat. Hij had geen waarneembaar eindpunt en was binnenin aardedonker, voor zover Vanschoonbeek kon zien.

De ploegbaas gaf hem zijn zaklamp en zei:

"Waarom ga je niet even een kijkje nemen? Maar verlaat de pijp niet langs de andere kant. Blijf binnen de tunnel.”

André nam zijn zaklamp aan en zei:

"Waarom niet?"

Hij was in een norse bui en hoe langer hij bij Thonia wegbleef, hoe beter hij zich zou voelen, dacht hij. Hij liep voorzichtig door de kronkelige gang. Hij had een rechte tunnel verwacht. Immers, zijn niet alle tunnels recht? Maar deze draaide naar links, toen naar rechts, toen naar links en nog eens naar links en dan weer naar rechts, om de paar tientallen meter de andere kant op. Het was geen wonder dat André Vanschoonbeek het einde niet kon zien. “Als de zaklamp uitgaat, ben ik de pineut.” dacht hij ongerust. Hij liet zijn vingers over het oppervlak van de zijkant van de tunnel glijden. Lange, rechthoekige stenen vormden de muren. In de bochten waren die kunstig gekromd om de overgangen naar weer rechte stenen te verzekeren zonder oneffenheden.

Na een paar minuten voelde André Vanschoonbeek sneeuwvlokken op zijn hoofd landen. Hij scheen naar omhoog met de zaklamp, maar het was geen sneeuw. De veelzijdige kristallen die op zijn schouders, zijn hoofd en overal om hem heen vielen leken op witte sneeuwvlokken, alleen waren ze vele keren groter. Ze waren ook niet koud en ze smolten niet. De vlokken rinkelden als een windgong wanneer ze tijdens hun val tegen elkaar botsten.

In korte tijd bedekten de zeshoekige kristallen de vloer. Een paar minuten later bereikte Vanschoonbeek het einde van de tunnel. Hoewel het veld waar de tunnel begon zich minstens een kwart kilometer ver voorbij de Sperwerstraat uitstrekte, gaf de uitgang van de tunnel niet uit op hetzelfde veld. Vol verbazing zag André Vanschoonbeek dat hij uitmondde op een geplaveide straat met grote, tamelijk ruwe kasseien.

Nog verwonderlijker was het uitzicht dat Vanschoonbeek kreeg: dat van mannen en vrouwen te paard, koetsen getrokken door gespannen met elegante paarden, voetgangers met grote hoeden en lange jassen, twee spoorlijnen en bakstenen gebouwen van vier verdiepingen. Voor elk raam hingen rijen wasgoed.

Vanschoonbeek wierp een blik op zijn horloge: 12:12. Ondertussen was het dus middernacht voorbij. Maar het straatbeeld baadde onder de gele, rode en oranje tinten van de late namiddag. Gasstraatlantaarns hingen aan gietijzeren palen langs de trottoirs.

André stak zijn hoofd uit het einde van de tunnel, maar hij hield zijn voeten erin, zoals de ploegbaas hem had opgedragen. De lucht rook naar gegrild vlees en gepofte kastanjes. Rook steeg op uit een houten voedselkar in het midden van het trottoir. Een man van in de vijftig met een diep gerimpeld gezicht en een gekrulde snor stond achter de kar om zijn waar te verkopen. Een kind van ongeveer tien jaar oud gaf de man wat munten en de man gaf de lachende jongen een kleine papieren zak met warme kastanjes...

Het wervelde in André zijn hoofd. Hij schudde het, maar het visioen bleef hetzelfde. Hij trok zijn hoofd terug de tunnel in, zoals een schildpad die zich terugtrekt in haar schild.

Terwijl hij terugliep naar de ingang van de tunnel nam Vanschoonbeek de tijd om te proberen te begrijpen wat hij gezien had. Was dit een kunstmatige illusie? Een holografische projectie? Was de tunnel een soort filmhuis, en was het uiteindelijke plan was om kaartjes te verkopen voor het schouwspel? Of, onheilspellender, hallucineerde hij? Waren die vallende vlokken een soort drug die hij inademde of die bij aanraking door zijn huid ging? Was hij wellicht een onwetende proefkonijn in iemands geestverruimend experiment?

Nadat André Vanschoonbeek weer tientallen keren een draai en de ene bocht na de andere had genomen weerkaatste de zaklamp eindelijk op de fluorescerende veiligheidsvesten van de arbeiders. Vanschoonbeek was bijna bij de ingang en hij meende dat hij nu snel antwoorden op zijn vragen zou krijgen. Hij richtte zijn blik op de ploegbaas met zijn elegante rijbroek. Die stond een paar meter voorbij de ingang van de tunnel met zijn handen ineengevouwen alsof hij aan het bidden was.

"Wat is hier eigenlijk aan de hand?” vroeg André Vanschoonbeek. “Waar gaat deze tunnel heen?”

"Waar denk je dat hij heen gaat?" antwoordde de ploegbaas.

Vanschoonbeek perste zijn lippen op elkaar en schudde zijn hoofd.

"Ik weet het niet, daarom vraag ik het."

De voorman ging naar de werktafel en raadpleegde zijn klembord. Hij keek naar de collega links van hem, een pezige man met kort, blond haar en een rond gezicht.

"Hoe ver?" vroeg hij aan die.

"1900." was de blonde man zijn antwoord.

"Wat bedoel je, 1900?" vroeg Vanschoonbeek.

De tunnel loopt door tot in 1900. Het gaat langzaam. Het heeft negentig jaar geduurd om vanaf 2032 zo ver terug te bouwen. Je moet begrijpen, het werk wordt bemoeilijkt doordat de afstand tussen nu en toen steeds groter wordt.”

"Wat bedoel je daarmee?"

Stel je voor hoe moeilijk het zou zijn om een ??tunnel te bouwen onder een rivier die niet in zijn bedding blijft en steeds breder wordt. Het is tegelijkertijd een probleem van burgerlijke bouwkunde en en constructiepuzzel. Het is al een wonder dat we hebben kunnen boren tot 1900. Maar als je verder wilt gaan, moet je de volgende tunnel vinden. Dat brengt je nog eens 80 jaar terug, de maximale initiële tunnellengte. Ze werken nog steeds aan de tunnels tussen 1900 en 1789, het jaar van de Franse Revolutie. Er is altijd al aan gewerkt, altijd vanwege steeds hetzelfde probleem: in hun hier en nu wordt de afstand tussen de tijdvakken groter. 1789 lijkt ons een vast punt in de tijd, maar voor de bouwers in dat jaar gaat de tijd gewoon door.”

Waar praatte de man over? Het klonk gek. En toch zag Vanschoonbeek iets dagen:

"Wil je me vertellen dat deze tunnels door de tijd gaan?"

Ja, dat is precies wat ik zeg. We bouwen tijdtunnels.”

De ploegbaas haalde sigaren uit zijn borstzak en gaf ze aan zijn werklui.

"Neem tien minuten pauze, jongens."

Hij knipte een metalen Zippo aansteker met een gouden hoefijzer op zijn zijkant open en stak de sigaren aan.

"Ik geloof je niet." zei Vanschoonbeek.

"Heb je 1900 dan niet gezien?"

"Ik heb iets gezien dat leek op 1900, maar wat je zegt is onmogelijk."

André schuifelde met mijn voeten terwijl hij naar zijn volgende woorden zocht.

"Jullie zijn gek." zei hij na even. “Je probeert me iets wijs te maken.”

De ploegbaas haalde zijn schouders op.

"Zoals je wil. Maar, met permissie, je ziet eruit als een man die wel een verandering van omgeving kan gebruiken.”

Hij haalde nog een sigaar uit zijn zak en gaf die aan Vanschoonbeek.

"Ik rook niet." zei die.

Hij bekeek de arbeiders van dichterbij. Behalve hun reflecterende hesjes kleedden ze zich allemaal anders en droegen ze een mengelmoes van kleding en accessoires. Het was me een allegaartje hoe die mannen uitgedost waren! Een krijtstreep vest met een zilveren ketting die uit de zijzak leidde naar een lus in een leren riem, een hoge hoed, een monocle, hoge rijlaarzen met sporen, doorschijnende sportschoenen die rood gloeiden als een zaklamp voor nachtzicht, een lange redingote met houten knopen, een blauw fluwelen gestreepte rijbroek… De mannen zagen eruit alsof ze gekleed waren door een toneelregisseur met willekeurige kleding en rekwisieten uit de voorraad van historische theaterkledij van Avothea in Gent…

De ploegbaas nam de sigaar terug die hij aan André Vanschoonbeek had gegeven.

Het heeft geen zin om een ??goede sigaar te verspillen als je niet rookt. Bovendien geniet je van andere geuren en smaken.”

Vanschoonbeek moest hem gelijk geven en knikte heel lichtjes.

"Je hebt de geuren uit het verleden al opgemerkt." De ploegbaas wachtte even en vroeg toen: “Wil je de smaken ook niet proberen? Het eten van toen zal smaakpapillen doen ontwaken waarvan je niet eens wist dat je ze had.”

De geuren waren een illusie, dat was duidelijk voor Vanschoonbeek. Het was allemaal verzonnen, een fantasierijke truc van de geest. En toch, ze leken zo echt. De ploegbaas deed een stap dichter naar André toe en dempte zijn stem, fluisterde bijna in zijn oor:

Je wilt hier weg. Je wilt een nieuw leven beginnen, maar je weet niet hoe, en je bent te verstrikt in wat je je leven noemt om het te proberen. Je hebt het gevoel dat je vastzit in het moeras van de tijd. Dit is je kans op een nieuwe start, André.”

"Hoe ken je mijn voornaam?"

De ploegbaas dempte zijn stem nog meer toen hij zei: “Je naam? Die staat voor mij op je voorhoofd geschreven. Moest je mijn raad willen: persoonlijk houd ik van 1900. Het is de atmosfeer van de ‘Fin de Siècle’, een decennium van grote vreugde, buitensporig zinsgenot, van technologische vooruitgang, van een samenleving die zich in honderd verschillende richtingen tegelijk beweegt. Natuurlijk komt er de Grote Oorlog, maar je weet dat die uiteindelijk goed afloopt voor ons land. Er zullen goede jaren zijn en minder goede, maar dat geldt voor elk tijdsgewricht, nietwaar? Maar als 1900 je niet bevalt, zoek dan een volgende tunnel, misschien die die naar 1789 leidt.”

Nog een tunnel?”

Net als deze brengt de volgende tunnel je nog verder terug in het verleden. Mocht 1789 niet aan je verwachtingen voldoen, loop dan door de volgende en de volgende en de volgende, naar 1656, 1547, 1435 of nog verder.”

Hoeveel tunnels zijn er? Hoe vind ik ze?” vroeg André Vanschoonbeek.

De ploegbaas krabde aan zijn kin en wierp een blik op zijn collega's, die in koor hun hoofd schudden.

Ik kan niet zeggen hoeveel tunnels er zijn, maar het zijn er veel die zich uitstrekken over tienduizenden, miljoenen, misschien wel miljarden jaren. De tunnels gaan misschien terug naar het begin der tijden, en wie weet waarheen vanaf daar? Misschien cirkelt de tunnel na degene die verbinding maakt met de dageraad van het universum terug naar het einde van alle dingen. Ik ben een bouwer, geen ontwerper of schepper, dus ik kan alleen maar gissen. Ik volg gewoon de plannen. Wat betreft hoe de tunnels te vinden, maak je geen zorgen. Dat zul je wel ondervinden. Net zoals je deze hebt gevonden word je naar de volgende geleid, als je het nodig vindt.”

Een gedachte die hij nog nooit eerder had gehad borrelde op in André’s hoofd. Tijdreizen? Waarom niet? Het doen zou het gemakkelijk maken om ze te bewijzen of te weerleggen. “Maak gewoon de reis, André,” zei Vanschoonbeek tegen zichzelf. “En als je niet de dupe bent van een verfijnde grap of gek bent, zullen je vijf zintuigen je de waarheid onthullen.”

Vanschoonbeek draaide zich om naar de tunnel. De ploegbaas legde zijn hand op zijn schouder.

"Wel moet ik je één ding zeggen, André: het is een enkele reis. Je kunt zo ver in het verleden reizen als je wilt, maar je kunt nooit meer terugkeren naar de toekomst als je eenmaal de tunnel uit bent.”

Hij kneep in André’s schouder. "Begrijp je dat?"

Beelden van Thonia en hemzelf op hun huwelijksreis in Scheveningen flitsten door zijn hoofd, samen hand in hand, terwijl ze elkaar kusten op het strand bij zonsondergang. Zijn huid tintelde toen hem de herinneringen te binnen schoten van hoe ze samen in ongebreidelde opwinding op en neer sprongen toen de makelaar van LEV, Limburgs Elite Vastgoed, hun vertelde dat de verkoper het bod op het huis had geaccepteerd. Hij herinnerde zich die tijd, dagen van waanzinnig winkelen voor een slaapkamer, een eetkamer, een salon en al het andere. Vooral herinnerde André Vanschoonbeek zich hoeveel belofte die dagen inhielden.

De realiteit was achteraf stilaan anders gebleken. Wat er in de loop van de jaren gebeurd was, de overgang naar een stel liefdeloze huisgenoten omhulde de oude herinneringen als een donkere wolk voor de zon. De alles verslindende ambitie van Thonia om onderdirectrice van haar school te worden… Hoe ze daarvoor in alle waarschijnlijkheid vreemd was gegaan met iemand van de inrichtende macht om te kunnen profiteren van de alom bekende ‘promotion canapé’, en haar lusteloosheid als ze met André in bed lag...

André Vanschoonbeek bekeek de ploegbaas met een glimlach waarin niet alleen hoop lag, maar ook een zekere tristesse. Dan zei hij:

"Een kaartje voor een enkele reis dan. Dat is prima."

Hij stapte terug de tunnel in en keek niet meer om.

© Bruno Roggen, Anhée, 2021


 


Submitted: July 06, 2021

© Copyright 2021 impetus. All rights reserved.

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Add Your Comments:


Facebook Comments

Other Content by impetus

Short Story / Fantasy

Short Story / Romance

Short Story / Romance