Dwaze Koningin

Reads: 195  | Likes: 0  | Shelves: 0  | Comments: 0

Status: Finished  |  Genre: Fantasy  |  House: Booksie Classic

In een koninkrijk dat nu al lang niet meer bestaat is er een koningin. Op een dag gaat de mare dat ze krankzinnig is geworden en dwaze beslissingen gaat nemen...

Dwaze Koningin

door Bruno Roggen

Er was eens...
 

een land, niet zo enorm ver hier. Het was een koninkrijk. Nu bestaat het wel niet meer. Geleerden en geschiedschrijvers kennen het uit oude kronijken. Wel zijn ze het er niet over eens waar dat koninkrijk eigenlijk lag. Sommigen beweren dat het ongeveer overeenkwam met wat nu Zwitserland, een deel van Oostenrijk en Zuid-Tirol, het Duitssprekende deel van Italië is. Anderen zeggen dan weer dat het oostelijker lag, en ongeveer overeenkwam met het huidige Roemenië met daarbij een stuk van Hongarije.
 

Dat land had net iets te lang vrede gekend. Iedereen wachtte altijd met spanning op het uitbreken van het volgende conflict. Nochtans kwam de aankondiging dat er een periode van strijd en oorlog ging beginnen elke keer zwaar aan bij het volk. Met een bezwaard hart luisterden naar de slechte mare. Die klonk vanaf het koninklijk paleis. Ze deed erg snel de ronde, zoals na te weinig regen een lopend vuurtje zich bliksemsnel verspreidde in het droge gras.
De boodschap van het paleis ging van mond tot mond en van deur tot deur. Stadsomroepers en herauten riepen het nieuws om in elke stad, elk dorp en elk gehucht.

 

“De koningin is gek geworden. Onze koningin is krankzinnig geworden. Plots hebben we een dwaze koningin.”
 

Het was het volk zijn grootste angst die bewaarheid werd. De goede koningin Anica was bezweken onder de macht van de troon, maar ook onder de last ervan.
De oudste inwoners van het koninkrijk wisten allemaal wat het betekende. Die herinnerden zich nog hoe het was toen de laatste monarch gek werd. Hij verklaarde de oorlog aan het aangrenzende koninkrijk. In zijn waanzin dacht hij dat er overal spionnen waren die op de loer lagen, zelfs tussen zijn eigen onderdanen. Meer dan eens deed hij hele dorpen in brand steken, gewoon omdat hij dat in zijn waanzin nodig achtte.

 

Nu wachtte het hele koninkrijk met ingehouden adem op de volgende stap die koningin Anica ging zetten. Ze wachtten op het moment waarop de vorstin haar paleis ging verlaten en in het buurland de naburige steden zou bestormen aan het hoofd van haar troepen.
 

Maar er gebeurde niets. Er kwamen geen boze woorden uit het paleis. Geen proclamaties of publieke boodschappen kwamen er vanaf de tinnen van het koninklijk slot. De mensen werden ziek van angst. In één stad vroegen de mensen zich af wat er aan de hand was. Bezorgde burgers morden:
 

“Wij willen dit niet nog een keer meemaken. We hebben eindelijk alle zaken geregeld zoals het hoort met de landen rondom ons. Er is ook geen tijd om oorlog te voeren. De oogst komt eraan, en dan zijn alle handen nodig.”
 

“Ik kan niet meer vechten,” zei een oude vrouw. “Mijn handen staan stijf van de reumatiek. Een zwaard of een lans kan ik niet eens meer vasthouden. Eten maken voor honderden soldaten, zoals ik dat vroeger deed, dat kan ik evenmin nog.”
 

"Ik kan niet terug naar de oorlog, weer eens," zei een oude man. "Ik kan niet toekijken hoe gezonde lichamen weer uit elkaar worden gerukt."
 

“Misschien hoeft dat ook niet...” zei een bezadigde man.
 

"Wat bedoel jij?" vroegen de anderen hem.
 

“Waarom moeten we hier zitten wachten op onze ondergang?” vroeg de man aan de anderen. “Waarom moeten we gewoon het land bewerken en wachten tot het van ons wordt afgenomen? Waarom mag de vorstin in de toren zitten en over ons lot beslissen? Er zijn duizenden van ons en maar één van haar soort. Ik denk niet dat één gekke koningin in staat zou moeten zijn om een koninkrijk op de knieën te krijgen. Ik denk… dat het tijd is voor een nieuwe dag en voor een nieuwe tijd.”
 

En de mensen juichten. Het idee verspreidde zich door de steden, de dorpen en de gehuchten, sneller dan het nieuws dat de koningin gek was geworden. Ze gingen naar de ridder wiens land ze bewerkten en hij hoorde ze uit omdat hij verplicht was dat te doen als hun leenheer en omdat hij schatplichtig was aan koningin Anica.
Stedelingen en dorpers vulden de binnenkoer van zijn kasteel. De ridder zat daar, zo stil dat het was alsof hij niet eens meer ademde. Eerst waren de mensen onder de indruk, en was het zo stil dat je een speld kon horen vallen. Maar dat bleef niet zo. Ze bestormden hun heer met alle mogelijke vragen.
Eerst dacht de ridder lang na. Eindelijk antwoordde hij:

 

“Ik denk dat jullie allemaal gelijk hebben. Het is tijd voor een nieuwe dag, voor een nieuwe tijd. Ik heb gewacht op een bericht van het paleis. Ik heb gewacht om naar de oorlog te worden gesleept tegen een ingebeelde vijand. Ik heb mijn ridderschap verdiend de laatste keer dat de koning gek werd. En nu wil ik mijn hoofd erbij houden.”
 

En zo werden er brieven geschreven en contacten gelegd. De ridder riep andere ridders op om samen te komen. Binnen de week was er een conclaaf van ridders in zijn uitkijktoren.
 

“Onze plicht is jegens de koningin,” zei er een. “En die plicht blijft, ook als Hare Majesteit Anica nu plots een dwaze koningin geworden is.”
 

“Ja, maar we hebben ook een plicht jegens het volk en het koninkrijk,” wierp een oude ridder op, een oudstrijder van vele veldslagen. “We kunnen het koninkrijk niet laten te vuur en te zwaard zetten vanwege de grillen van een gek geworden dwaze koningin.”
 

De andere ridders luisterden en die nacht werd een nieuwe orde gevormd, de Orde van de Nieuwe Tijd. Ze zouden naar de hoofdstad gaan en een einde maken aan het rijk van de dwaze koningin. Ze marcheerden naar de hoofdstad onder hun nieuwe vlag, een vlag met aan de ene kant een gouden zon, aan de andere kant een zilveren maan om hun nieuwe orde te tonen.
De ridders reden tot aan de hoofdpoort van de ommuurde stad. Ze eisten doorgang door de poort. De poortwachter liet hen binnen, omdat ook hij bang was voor de waanzinnige koningin. Ze marcheerden naar het koninklijk paleis en drongen er naar binnen. Er was tumult en verwarring. De paleiswacht probeerde hen tegen te houden, maar er waren te veel ridders om tegen te vechten en ze drongen de bewakers met hun slagzwaarden terug.
Uiteindelijk bereikten ze de staatsiekamer van de koningin en braken de deur open.

 

"Wat is de bedoeling hiervan?" vroeg de koningin.
 

De Ridder van de Nieuwe Tijd kwam naar voren, maakte een buiging en zei:
 

“We zijn hier om de controle over het koninkrijk over te nemen. We laten niet toe dat een dwaze monarch ons land verwoest, ook al is het een heel mooie koningin."
 

"Ik zou zeggen van niet, en dat je gelijk hebt!" zei de koningin. "Maar wie is er eigenlijk dwaas, of gek?"
 

“Wel, dat bent u, Majesteit,”zei de ridder. “Het woord heeft zich verspreid. De koningin is gek geworden en nu zijn wij hier om uw dwaasheden te stoppen.”
 

"Zeg eens, zie ik eruit alsof ik gek ben geworden?" vroeg de koningin verontwaardigd.
 

"Welnee," antwoordde de ridder, “maar altijd is dat niet aan iemands uiterlijk te zien.”
 

"Ik denk dat er ergens een fout is gemaakt." zei koningin Anica.
 

“Welke dan?" vroeg de ridder.
 

Koningin Anica antwoordde hem niet, maar riep een hofdame:
"Vera, kom hier."

 

"Ja, Uwe Genade, tot uw dienst!" Er verscheen een dame die aan de deur had staan wachten.
 

"Vera, ongeveer een week geleden, toen je mijn corsage aan het strijken was en het verpestte, wat heb je daarna gedaan?"
 

"Wel, ik heb aan alle bedienden verteld dat ik uw corsage had verpest en dat u boos was."
 

“Dank je, meer moet ik niet weten.” zei de koningin.
 

Ze wendde zich tot de ridders die niet wisten hoe ze het hadden en er steeds meer en meer beschaamd uitzagen.
 

"Zie je wel, Heer Jacobus,” zei de vorstin tegen de leider van de Nieuwe Tijd. “Je koningin was niet gek geworden. Gewoon boos.”
 

“Dus, we gaan niet ten strijde moeten trekken?” vroeg de ridder. “Geen oorlog dus?”
 

“Maar nee,” antwoordde de koningin al lachend. “Er is geen haar op mijn hoofd dat daaraan denkt. We leven in vrede en in voorspoed. Laat ons dat zo lang mogelijk houden. En van elkaar houden, ook van de mensen die niet in ons land wonen.”
 

Opgelucht en gerustgesteld trokken de ridders terug naar huis, elk naar zijn eigen leen. Daar lichtten ze hun onderdanen in dat de koningin noch dwaas, noch gek was, en dat er helemaal geen oorlog in het verschiet lag.
 

En al de mensen, overal in het land, ze juichten en ze dansten in het rond. En ze slachten kapoenen en hamels, ze roosterden ossen aan het spit, en ze feestten dagen aan één stuk door.

© Bruno Roggen, Anhée, 2021


Submitted: August 24, 2021

© Copyright 2023 impetus. All rights reserved.

Add Your Comments:


Facebook Comments

More Fantasy Short Stories

Other Content by impetus

Short Story / Fantasy

Short Story / Romance

Short Story / Science Fiction