Tot uw Dienst

Reads: 35  | Likes: 0  | Shelves: 0  | Comments: 0

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Status: Finished  |  Genre: Romance  |  House: Booksie Classic

Een man heeft veel tegenslagen achter de rug. Hij ziet het niet meer zitten, en hij wil een einde aan zijn leven maken. Daartoe neemt hij de nodige voorbereidingen, maar zo eenvoudig als hij het ziet loopt het niet...

Tot uw Dienst


door Bruno Roggen


Verwittiging:
 
Alle overeenkomsten met reëel bestaande personen en/of situaties zijn louter toevallig en vallen volledig buiten de wil, het opzet en de verantwoordelijkheid van de auteur.


Wat er allemaal misgegaan was… Te veel om op te noemen. Het had geen zin meer om dat nog allemaal te herkauwen, dacht Theo Andries. Hij zat op de rand van zijn tweepersoonsbed met de kolf van het jachtgeweer op de vloer tussen zijn voeten en de dubbele loop in zijn mond. Theo vond dat het staal van de loop van de Beretta superposé smaakte als bloed. Of misschien beeldde hij zich dat maar in? Op het nachtkastje rechts van hem stond een dampende kop koffie. Hij strekte zijn arm en reikte tussen zijn enkels om zijn duim op de trekker van het geweer te laten rusten.
 

Hij dacht na over zijn leven. Hij wenste dat zijn enige broer Wim niet zo jong was gestorven. Hij wenste dat Carolien er nog was, maar die had hem in de steek gelaten omdat hij haar schandelijk verwaarloosd had, en ook omdat hij niet met haar wou trouwen. Hij wenste dat hij het echt had geprobeerd het te maken als kunstschilder...
 

Over het algemeen was hij echter niet verdrietig. Hij was net klaar, en bijna met alles in het reine gekomen. Het was twee maanden geleden sinds Wim was gestorven. Theo had naast zijn ziekenhuisbed in de Salvatorkliniek zijn hand vastgehouden. Op een avond was hij in slaap gevallen langs Wim zijn bed en weggedreven. Hij droomde dat hij een geweldig meesterwerk geschilderd had met Carolien als centraal personage. Plots werd hij toen  gewekt door de indringende piep van de ECG-monitor die het alarm gaf dat Wim geen polsslag meer had.
 

Theo had geen verpleegster gebeld. Wim lag al bijna twee maanden in het ziekenhuis in de laatste fase van longkanker. Meestal was hij onder invloed van de morfine in de pijnpomp niet bij bewustzijn. Slechts enkele dagen daarvoor was hij plots wakker geworden uit zijn lethargische toestand. Hij had Theo in de ogen gekeken gezegd: "Als ik ga, laat me dan gaan."
 

Theo had niet gereageerd. Hij wou geen geen ruzie maken met zijn stervende broer. Hij wist dat het geen zin zou hebben. En toen dat moment daar was hield hij zich aan wat Wim gevraagd had.
 

Uiteindelijk liep er een verpleegster van de nachtdienst langs de deur en ze hoorde de monitor doordringend piepen. Ze keek in de kamer naar binnen en zag Theo zitten met zijn hoofd naar beneden, zijn wangen nat van tranen. De aalmoezenier van het ziekenhuis, Eerwaarde Heer Gaston Berden, met wie Theo bevriend was geraakt ondanks hun verschillende wereldbeelden, liep niet lang daarna de kamer binnen. Hij kwam naast Theo staan, met een hand op zijn schouder, terwijl hij naar de dode Wim staarde.
 

"Wil je dat ik bid voor hem?" vroeg de aalmoezenier.
 

“Het kan me niet schelen, Gaston,” zuchtte Theo terwijl hij zijn ogen afveegde. “Helpen zal het niet meer, dat denk ik ervan.”
 

“Onze Vader die in de Hemelen zijt…” begon de priester.
 

Nu, terwijl hij op zijn bed zat, dacht Theo terug aan die verschrikkelijke tijd. Zes weken na de verassing van Wim in het crematorium ‘De Tesch’ in Hasselt had Carolien hem in de steek gelaten. Zij vond dat er met hem niet meer te leven viel. Hij zonk weg in zijn rouwen om Wim, en voor haar had hij geen enkele belangstelling meer. Dat hij niet met haar wou trouwen, tot daar toe. Maar nu was het te ver gekomen. Hij kuste haar niet meer, en de liefde met haar bedrijven deed hij al helemaal niet meer…
 

Met het geweer tussen zijn benen vroeg Theo zich af waar Eerwaarde Heer Gaston Berden nu zou zijn. De man had in de weken na Wim zijn dood contact willen opnemen met Theo, maar omdat zijn telefoontjes niet werden beantwoord, stopte hij met bellen. Theo wenste niet beter op dat moment. Hij zat er te diep door, na de dood van Wim, het vertrek van Carolien, en nog een ander onverteerd verlies…
 

De ochtendzon scheen door het raam in de slaapkamer naar binnen. Op de tegenoverliggende muur dansten de schaduwen van boomtakken en ook schilderden ze bewegende patronen op de houten vloer van Theo’s slaapkamer. Hij had overwogen een briefje achter te laten, maar had geen idee wat hij moest zeggen. Hij had aan iets luchtigs gedacht. Iets als "Wat een manier om een week te beginnen, hè?" Zo wou hij er zeker van te zijn dat de medewerkers van het OCMW of de brandweermannen die de rotzooi moesten opruimen begrepen dat hij eigenlijk geestelijk in orde was. Het was gewoon zijn tijd die daar was... Welke zin had het nog dat hij verder zou leven?
 

Toen bedacht Theo dat ze met zo'n briefje misschien zouden denken dat hij echt gek was. Hij besloot niets te schrijven. Met zijn duim licht op de trekker, zag Theo in zijn verbeelding de loden korrels die door zijn amandelen heen vlogen, kanalen door zijn hersenweefsel scheurden, explodeerden in een krater aan de achterkant van zijn schedel, terwijl een mengsel van bloed en hersenen de witte muur en het plafond zouden bespatten, achter en boven hem.
 

"Verdomme!" dacht hij. Hij nam zijn duim weg van de trekker, haalde de loop uit zijn mond, stond op en zette het jachtgeweer in de hoek van zijn slaapkamer. Daar had het hem wekenlang aangestaard. Hij liep naar de badkamer, plaste, en waste zijn handen. Hij staarde in de spiegel boven de wasbak.
 

“Het lijkt erop dat je net nog een uur of zo langer voor jezelf hebt gereserveerd,” zei hij, terwijl hij glimlachte naar zijn  spiegelbeeld. “Het is niet veel, maar het is toch dat…”
In de keuken pakte Theo zijn autosleutels van het haakje in de muur en reed naar Brico Depot om er een zeildoeken te kopen.

 

"Waar bewaren ze die verdomde dingen?" mompelde Theo in zichzelf terwijl hij door het gangpad liep en de rekken afspeurde. Hij had besloten dat vijf dekzeilen het werk moesten doen. Een voor het bed, een voor de muur, een voor het plafond en een aan elke kant van hem om eventuele eigenzinnige bloedspetters op te vangen. Maar hij ijsbeerde de afgelopen tien minuten door de gangpaden van Brico Depot en kon de zeilen nog steeds niet vinden.
 

Tijdens zijn zoektocht waren verscheidene medewerkers langs hem heen gelopen. Niemand had tot dan toe gevraagd of hij hulp nodig had.
 

"Tot uw dienst! Heeft u hulp nodig, meneer?"
 

Theo sprong op, zo verrast was hij. Links van hem zag hij een glimlachende vrouw in blauwe polo met een dwarse gele opdruk. Ze was de jongste niet meer, en had enkele puistjes in haar gezicht, dik, bruin haar, maar wel een erg lief gezicht.
 

"Oh!" zei Theo. “Ik had u niet gezien. Ik ben op zoek naar zeilen. Weet u waar die ergens kunnen liggen?”
 

“Dat is verder, in gang 14,” zei de vrouw opgewekt. “Zeilen, doeken, afdekmateriaal en dergelijke zal u daar vinden.”
 

"Perfect! Dank u!” Theo glimlachte naar haar en begon weg te lopen.
 

"Waar werkt u aan, als ik vragen mag?" vroeg de vrouw en hield Theo tegen.

Hij bleef staan, zocht de woorden, en hij vond een leugen om bestwil uit: “Ik ben wat aan het schilderen. Een paar kamers aan het opfrissen, bedoel ik. Ik probeer ervoor te zorgen dat ik geen rommel achterlaat.”
 

De verkoopster lachte, en ze werd vertrouwelijker:
 

“Dan heb je geen zeil nodig, maar een druppeldoek!” zei ze en ging ervandoor. “Kom maar met me mee.”
 

Theo volgde haar.
 

"Hier!" zei ze, wijzend op een plank vol dikke, gebroken witte lakens van katoen.
 

"Zal de verf daar niet doorheen bloeden?" vroeg Theo.
 

“Niet, tenzij je het hele blik of de emmer omduwt en zo morst,” zei ze. “In dat geval helpt geen enkel doek of zeil.”
 

"Dat zou wel eens kunnen. Ik ben zeker niet de meest handige of standvastige persoon die je ooit hebt gezien," zei Theo, terwijl hij een hand opstak zodat ze die kon zien trillen als een blad in de wind.
 

“Hmmm... In dat geval kan je misschien je een zeil onder een katoenen doek leggen.” zei ze, terwijl ze hem een rol van het dikke, witte katoen overhandigde.
 

“Dat klinkt verstandig,” glimlachte Theo naar haar. “Je gaat me wel op kosten jagen.”
 

Daar reageerde de verkoopster niet op. “Ik ben trouwens Gisèle,” zei ze, terwijl ze een stapje naar voren deed en haar hand uitstak. “Ik sta tot u dienst, moest u nog vragen hebben.”
 

“Ik heet Theo,” zei Theo, terwijl hij haar hand drukte en zijn ogen die van Gisèle ontmoetten. “Aangename kennismaking, wel op een maar rare plaats.”
 

Gisèle glimlachte en keek meer naar hem dan hij dat nodig vond. Op de een of andere manier voelde hij zich niet echt op zijn gemak met haar. Jonger dan Theo was zij wel, maar toch al een rijpere vrouw. Haar gezicht herinnerde hem aan dat van zijn moeder. Niet zozeer de gelaatstrekken, maar wel de ogen en de manier van kijken. Gisèle keek naar hem zoals zijn moeder naar hem keek toen hij een tiener was, op het punt om 's avonds langs de voordeur naar buiten te sluipen. Haar ogen smeekten hem om niet te doen wat hij van plan was. Om goede keuzes te maken. Veilig te blijven. Om aan de stroom van zijn zwarte gedachten te weerstaan, om hem van de dreigende duisternis van de Grote Leegte weg te trekken…
 

“Het was fijn je te ontmoeten, Theo,” zei Gisèle hartelijk, zonder het oogcontact te verbreken. “Ik moet je nu laten, maar je zeildoek zal aan het einde van dit gangpad aan de rechterkant liggen. En als je die verf morst, en er andere nodig hebt, kom dan maar terug naar hier terug en zoek me. Ik zou blij zijn je weer te zien."
 

“Het is ook geweldig om jou te ontmoeten,” zei Theo, terwijl hij zich realiseerde dat dit de laatste keer zou kunnen zijn dat hij ooit een ander mens praatte. "Fijne dag nog, Gisèle."
 

Terwijl hij voor de dekzeilen stond dacht hij na over zijn oorspronkelijke plan. Hij zou een katoenen doek in een halve cirkel om zijn positie heen op het bed aan het plafond kunnen hangen, maar hij zou nog steeds minstens drie dekzeilen nodig hebben voor het bed en, de muur en de vloer. Theo aarzelde even. Hij had die zeilen graag in een rode kleur gehad, maar die kleur was er niet. Alleen donkergrijs en groen, meer keuze was er niet. Hij koos voor groene en liep naar de kassa.
 

“56,10 euro,” zei de kassierster.
 

Theo begon het geld uit zijn portefeuille te halen.
 

“Geen contant geld bij deze kassa,” zei de kassierster. “Alleen Bancontact of Visa.”
 

Theo aarzelde even. Hij begreep het niet.
 

"We nemen geen contant geld aan bij deze kassa." herhaalde de kassierster en staarde Theo aan.
 

"Oh, het spijt me. Ik wist dat niet.” zei Theo, terwijl hij zijn creditcard tevoorschijn haalde en die aan het meisje gaf. De kassierster gaf Theo zijn doeken en de rekening zonder te reageren.
 

Eens terug thuis werkte Theo meer dan een uur lang eer hij min of meer tevreden was over hoe de doeken en de zeilen hingen en lagen.
 

“Niet de schoonste klus ooit, maar het is voldoende,” zei Theo, hij keek naar zijn handwerk. Er lag een groen zeil over de vloer. Daar had Theo eerst een wit katoenen doek overheen gelegd, maar dan weer weggenomen. Een ander was gedrapeerd over het plafond, op zijn plaats gehouden door zes zelfklevende plastic haken. Hij had daar een katoenen doek dat Gisèle hem had verkocht door het zeildoek heen in het plafond geniet. Toen hij op de rand van het bed ging zitten, vormde het een halve cirkel om hem heen. Het leek op een halve cocon voor zijn transformatie.
 

Hij legde het jachtgeweer naast zich en leunde voorover, op ellebogen op knieën, terwijl hij keek naar het groene zeil onder zijn schoenen. Hij dacht aan zijn zoon Gert, die over het podium liep in de zaal van het college toen hij daar afgestudeerd was en zijn diploma kreeg. Zijn eerste vrouw, Linda, was toen al vier jaar daarvoor overleden aan een aneurisme. Hij herinnerde zich dat hij met Gert en Carolien na de ceremonie was gaan eten in het Theatercafé. Hij herinnerde zich hoe het deksel van de zoutvaatje los zat en hoe Gert per ongeluk een berg zout op zijn friet had gegooid. Hij herinnerde zich hoe Carolien bijna huilde van het lachen. Hij herinnerde zich dat hij voor Gert op die zijn aandringen een Yamaha 500 cc motorfiets had gekocht. Hij herinnerde zich hoe hij, vier maanden later, in het mortuarium na het motorongeluk wat van Gert zijn lichaam was overgebleven had geïdentificeerd. Hij herinnerde zich dat hij op de parkeerplaats had overgegeven voordat hij naar huis reed en tegen Carolien loog en haar vertelde dat hij in orde was.
 

Hij keek door de kamer naar zijn stoffige schildersezel en dacht aan hoe hij zich niet meer in staat voelde om nog te schilderen  het jaar nadat Wim stierf. Allemaal doden, niets dan doden… Hij probeerde zich te herinneren wanneer hij opnieuw met  schilderen begonnen was, maar de herinnering leek net buiten zijn bereik. Het leek een boomtak waarvoor hij niet hoog genoeg kon springen om die te grijpen...
 

“Het is allemaal te lang geleden,” zei hij hoofdschuddend tot zichzelf. "Ik kon het niet meer allemaal meester."
 

Hij dacht aan de tijd, slechts een paar maanden geleden, toen hij bijna naar het Carnavalsbal ging in de Lorka op de Genkersteenweg in Hasselt. Hij had zich er zelfs voor verkleed. Hij trok zijn mooiste donkere broek aan en een wit Italiaans overhemd met frulletjes op de borst en een enorme open kraag. Toen hij zijn dunne, grijze haar kamde keek hij in de spiegel. De losse huid, de slappe wangen, het pluizige haar dat uit zijn neus en oren stak, de melkachtige oude blauwe ogen... Hij zuchtte, legde zijn zwarte kam op de rand van de wasbak, kleedde zich terug uit, pakte een biertje uit de koelkast en liet zich voor de nacht op de canapé zakken...
 

Nu schoof Theo weer het geweer van het bed en zette de kolf ervan op de vloer tussen zijn voeten. Hij opende zijn mond en schoof die over het uiteinde van de loop. Alles was zoals het zou moeten zijn. De voordeur was niet gesloten. Ze moesten die niet openbreken om hem te vinden. De koelkast was leeg. Er was niets bederfbaars meer in huis, alleen stonden er nog een aantal blikken met voedsel op de rekken in de keuken. De thermostaat stond uit. De vuilniszak was buiten gezet. Het appartement was brandschoon. Hij had besloten geen afscheidsbriefje te schrijven, in de hoop dat de netheid voor zichzelf zou spreken. Dit hoefde niet ingewikkeld of groots te zijn. Het hele ding kan zo simpel zijn als het uitknippen van een gloeilamp...
 

Theo reikte naar de trekker. Voordat zijn vinger er was, hoorde hij een luide plof tegen het raam. Hij trok zijn hand terug. Hij ademde diep in door zijn neus en dan weer uit. Hij haalde zijn mond weg van de loop, legde het geweer op het bed, opende het raam en keek naar beneden. Twee verdiepingen lager zag hij een vogel trillen en kronkelen op het gras.
 

“Verdomme!” zei Theo. Hij zuchtte, zette het jachtgeweer weer tegen de muur en liep naar beneden om te zien of de vogel dood was. Maar hij leefde nog. Het was tamelijk groot, mager en donkergrijs, bijna zwart. Hij zag er eenvoudig uit. Theo had duizenden vogels zoals deze gezien, maar omdat hij nooit veel interesse voor de natuur had getoond had hij geen idee hoe die vogel heette.
Het gewonde dier bewoog onnatuurlijk, krampachtig, bijna alsof het bezeten was. Zijn kleine zwarte kraalogen leken Theo recht aan te staren. Hij huiverde. Hij hief zijn hand aarzelend op en wou  de vogel oppakken. De vogel keek naar hem, deed zijn bek open, en kraste even.

 

"Wacht!" riep iemand. Theo was verrast en keek naar omhoog. Hij zag voor hem aan de andere kant van de straat een vrouw met een tas van Brico Depot in haar hand. Het was Gisèle. Ze zette haar tas op het trottoir en rende naar Theo toe. Die was stomverbaasd:
 

“Hoe kom jij hier?” vroeg hij.
 

“Je hebt één zeil vergeten mee te nemen aan de kassa,” zei ze. “Langs de gegevens van je betaling om zijn we aan je adres geraakt. In die tas zit het zeil.”
 

“Dank je, maar dat was niet nodig geweest,” zei Theo. “Die moeite had je je kunnen besparen.”
 

“Tot uw dienst! Graag gedaan!” zei Gisèle met een glimlach.
 

Verder reageerde zij er niet op. Haar aandacht ging naar de vogel:
 

“Misschien is hij gewoon even van de kook,” zei ze. “Even buiten westen, dat bedoel ik."
 

“Heb je gezien wat er gebeurde?" vroeg Theo. “Hij is plots tegen mijn raam gevlogen.”
 

“Nee, dat niet. Maar het is moeilijk om een man te negeren die zo inzit met een gewonde kauw.” zei ze.
 

“Oh, is dat een kauw? Ik kan er gewoon niet tegen om het beestje zo te zien lijden.” zei Theo terwijl hij naar de vogel keek.
 

“Laten we hem nog een paar seconden geven,” zei Gisèle. "Misschien komt het wel goed."
 

Ze keken naar de vogel. Na enkele ogenblikken werden de spiertrekkingen sporadischer en minder gewelddadig. Daarna stopte de kauw helemaal met bewegen.
 

"Is hij dood?" vroeg Theo.
 

“Nee, hij ademt nog. Kijk maar!” zei Gisèle, en ze wees op het snelle rijzen en dalen van de borstkas van de vogel.

Even later kwam de kauw met een ruk overeind, keek om zich heen en vloog langs de zijkant van het appartementsgebouw weg.
 

Theo zakte ineen en viel snikkend op zijn knieën. Grote, stroperige tranen dropen uit zijn ogen. Snot liep over zijn lippen aan zijn mond in. Hij beefde heftig. Hij stak zijn handen naar omhoog en bedekte zijn gezicht.
 

"Wat is er mis?" vroeg Gisèle. "Wat is er verkeerd gegaan? Heb ik er iets mee te maken?”
 

Theo hield op met snotteren en schudde met zijn hoofd van ‘nee’. Hij begon terug naar het appartement te lopen. Gisèle was bezorgd. Ze hield hem bij zijn arm en liep met hem mee.
 

Eens boven begon Theo de doeken en de afdekzeilen weg te nemen. Gisèle was erg gedienstig, en ze hielp hem daarmee.
Daarna dronken ze samen koffie. Theo huilde nog een beetje als hij aan Gisèle vertelde over Wim, over Gert en over Carolien.


Later op de avond aten ze samen uit de blikken die Theo nog in huis had. En ook daarna nog was Gisèle erg gedienstig. Ze troostte Theo op haar eigen manier totdat ze in de vroege morgen terug naar huis ging.


© Bruno Roggen, Anhée, 2021


Submitted: October 02, 2021

© Copyright 2021 impetus. All rights reserved.

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Add Your Comments:


Facebook Comments

Other Content by impetus

Short Story / Romance

Short Story / Romance

Short Story / Romance