Trieste Heks

Reads: 47  | Likes: 0  | Shelves: 0  | Comments: 0

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Status: Finished  |  Genre: Fantasy  |  House: Booksie Classic

Er was eens... Erg lang geleden loopt het leven van een jonge heks niet zoals ze dat wel graag had gewild. Daar wordt ze erg triest van...

Trieste Heks
 

door Bruno Roggen


Er was eens…
 

Maar het is heel lang geleden, van in de tijd dat de dieren nog spraken en dat Hasselt nog niet bestond. Nu is er een stad, maar toen was er niets dan pure natuur en wildernis.
In die lang vervlogen tijd waren er heel wat heksen in wat nu Hasselt is. Natuurlijk, sommige kwatongen beweren dat die er nu ook nog in overvloed zijn, misschien meer dan toen…

 

Maar dit is dus volledig naast de kwestie. Dus, er was eens een heks… Die woonde op de Alverberg, daar waar nu Hasselt aan Diepenbeek grenst in de omgeving van de Tomstraat, en niet zo ver van de huidige Pietelbeek in Rapertingen. Zij was een jonge heks, heel erg mooi, en altijd tot in de puntjes gekleed. Haar voorkeurskleur was blauw, en die kleur stond haar erg goed. Wel verschilde ze in één opzicht van de andere heksen: zij weigerde mordicus een punthoed op te zetten. Ze had immers zo mooi lang haar, ook met een blauwe schijn, zoals het haar van sommige Indianen uit het Amazonewoud. Sommigen vonden dat ze veel weg had van een blauwe lijster, een vogelsoort die ondertussen in onze streken volledig uitgestorven is. Dat was niet alleen omwille van de blauwe kleur, maar ook omdat de heks zo verleidelijk mooi kon zingen.
 

Misschien voor de volledigheid nog even dit zeggen: de naam van die heks was Niek, eigenlijk een tamelijk eenvoudige en pretentieloze naam voor een heks. Toch als je hem vergelijkt met ronkende namen zoals Aurolorea, Putifloralia, Cuntaralette en zo meer...
 

Niek glimlachte altijd. Op de Alverberg was zij wel onderhevig aan een heksenwet die niet voor alle heksen gold: zij kon haar heksenkracht om op een bezem door de lucht te vliegen enkel gebruiken in een straal van één mijl rond de Alverberg. Geen Engelse of nautische mijl, maar wel die van wat nu vijf kilometer is. Maar waar zij daar woonde, dicht bij Rapertingen en Diepenbeek, was dat ver genoeg. Zij gebruikte haar bezem om dingen gaan af te leveren in de omgeving, maar het allerliefst bracht zij goed nieuws.
 

Door haar beperkte heksenmacht noemde niemand Niek een steunpilaar voor de gemeenschap. Daar was men te verstandig voor, want dat was niet zo. Maar toch was iedereen er zich van bewust dat heks Niek onvervangbaar was. Iedere keer dat iemand dat zei als Niek erbij was was zij fier. Ze bloosde dan en boog nederig haar hoofd. Maar ook steeg ze dan vaak op haar bezem en deed halsbrekende toeren in de lucht, zoals duikvluchten, loopings en rase-mottes. Dat was niet zozeer om te laten zien wat ze allemaal kon, maar eerder om met dat schouwspel de mensen die haar geflatteerd hadden te bedanken.  
 

De enige dag waar Niek een hekel aan had was een regenachtige dag. Hoe dat kwam? De voornaamste reden, daar zweeg Niek in alle talen over. Dat had te maken met een mislukt liefdesavontuur. Ooit had zij op een regendag een vliegongeval gehad met haar nieuwe bezem. Dat gebeurde boven een bos langs de Demer omdat door de regen de bezem te zwaar was geworden, en onbestuurbaar. Zij was naar beneden gestort, maar gelukkig had een rietkraag haar val gebroken. Bij die gelegenheid was ze gered door Jacobus, een oudere tovenaar. Hij woonde niet zo erg ver van de Alverberg weg, in het Duisterbos. Dat was ongeveer daar waar nu in Diepenbeek een campus van de Universiteit Hasselt ligt. Niek was op de slag smoorverliefd op hem geworden.
 

In het begin was de tovenaar erg opgezet met de belangstelling die de jonge heks Niek voor hem had. Maar alhoewel hij deed alsof hij erg veel van haar hield bedroog Jacobus haar na enige tijd achter haar rug met andere heksen. Daar waren wel jonge frisse heksjes bij, maar ook sommigen die véél ouder en lelijker waren dan Niek.
Niek begreep na een zekere tijd dat ze met Jacobus nooit echt gelukkig zou zijn. Daarom liet zij hem in de steek, en trok zich terug op de Alverberg. Echt rouwen om het verlies van haar minnaar deed ze niet, maar een heks is ook een vrouw. Geen enkele vrouw vergeet een man in wie zijn armen ze ooit erg gelukkig is geweest. Voor Niek was dat niet anders. Telkens ze aan Jacobus terugdacht herinnerde ze zich de heerlijke momenten die zij met hem had doorgebracht, maar dat ze dan triest werd, dat kon ze niet vermijden. Vrouwen, dat is algemeen geweten, hebben een olifantengeheugen, en dat is niet alleen zo waar het de liefde aangaat...

 

Maar er was nog een andere reden waarom Niek niet echt gelukkig was op regendagen. Met de bezem vliegen was dan razend gevaarlijk. Dat had Niek al ondervonden toen ze een eerste keer was neergestort in dat rietveld aan de Demer. Bovendien was de huid van heksen niet waterdicht en een zware regenbui ondergaan was het pijnlijkste gevoel ter wereld.
 

Dus toen het nieuws dat Niek een drakenei op haar bezem moest vervoeren kwam eigenlijk ongelegen. Dat drakenei was gevonden op zijn akker door een boer die woonde waar nu het Plankeweeke ligt, een deel van de huidige Casterwijk in Hasselt. Geen enkele andere heks wou dat ei vervoeren. Dat vonden ze veel te link.
Die opdracht kwam ook voor Niek een beetje aan als een schok. Er kwam een vreselijke storm aan. Elke weertovenaar wist dat door het onrustig worden van zijn padden. Toch moest de mooie jonge Niek met het ei op weg naar het Anti-Draak Recyclage Centrum in grotten die lagen bij de oudste stad van België, Tongeren. Daarvoor kreeg ze van de Algemene Raad der Tovenaars en Heksen uitzonderlijk de toelating om zich met haar bezem buiten de straal van één mijl te begeven.

 

Niek pakte een tas en stopte daar het ei in. Zij besteeg haar mooiste en ook snelste bezem en ging op weg. Daarbij trotseerde ze de koude wind en de naderende zee van donkere wolken. Haar plan was om snel te vliegen, voordat de regen door haar blauwe regenjas kon trekken, maar de wind was te sterk. Het duurde niet lang voordat ze van haar bezem werd geblazen. Weer had ze geluk. Dit keer kwam ze wel niet neer in een rietveld. Ze landde op haar malse billen in een weide in het huidige Vliermaal waar het gras heel hoog was. Eens van haar alteratie bekomen rolde ze overeind en beschermde zichzelf tegen wind en regen door haar regenjas over haar hoofd te trekken. Wel had ze even spijt dat ze toch niet, zoals de andere heksen, een punthoed had die haar mooie haar droog zou houden.
 

Gelukkig was het drakenei, een vuurrood ei met glanzend gepolijste schubben, niet kapot. Het was ook door het hoge gras in zijn val geremd. Even was het nog weggerold, en toen tot stilstand gekomen in de wei tegen de stam van een boom met veel sterke takken.
Het was een oude boom, de oudste van allemaal in die omgeving. Zijn takken waren dik en sterk, net als de ledematen van een sterke oude man. Niek nam het ei in haar armen en ging ermee tegen de stam van de boom zitten. Ze was niet echt ongerust.Het drakenei zou overleven, zoals het dat al eeuwenlang had gedaan.
Maar toch, Niek maakte zich zorgen. Drakeneieren kwamen snel uit. En Vuurdraken waren wreed en destructief, tenzij ze door de juiste handen werden behandeld. Eigenlijk was dat maar aan oudere, erg ervaren tovenaars gegeven. De handen van Niek waren verre van goed. Daar was ze zich van bewust. In haar hart wist ze het, en daarom kon Niek, de mooie blauwe heks,  niet anders dan denken aan alle manieren waarop de Vuurdraak haar zou doden...
De schelp van het ei voelde nog steeds zacht aan, en hoewel de schubben scherp waren, was dat maar in één richting. Niek streelde met haar vingers de eierschaal, maar ze was bang en triest omdat ze niet wist wat haar te wachten stond. Zoals sommige bange mensen dat ook in het donker doen om zichzelf moed in te pompen neuriede ze een liedje uit haar kindertijd om niet alleen de brullende wind, maar ook haar angst te overstemmen. Gedachten aan de kracht van de Draak deden Niek haar lichaam huiveren en in haar droefenis slaakte ze een diepe snik terwijl ze zich haar dood duizend keer voorstelde.

 

De storm raasde harder. Boomtakken kraakten en stortten neer, midden het verraderlijke geblaf van de wind. Niek greep het drakenei nog steviger vast en drukte het tegen haar zachte lichaam. Plots veranderden haar trieste gedachten. Ze vermande zich, en dacht eraan om te ontsnappen. Het drakenei was gemakkelijk te vernietigen. Dat was niet moeilijker dan met een gewoon kippenei. Het zou gemakkelijk zijn om het ver van zich af in het hoge gras te werpen, uit de beschutting van de grote boom.
 

“Laat het lot zijn gang gaan met dat onheilbrengende ei, of als het dat niet zou doen, laat mij het dan kraken met een steen!”
 

Zulke gedachten gingen door Niek haar hoofd, de ene nog wanhopiger dan de andere. Toch wierp ze het ei niet weg of verbrijzelde het niet met een steen. Ze trok het drakenei in een liefdevolle omhelzing dichter tegen haar borst. En haar zachte trekken veranderden in een alomvattende glimlach.
 

“Ik zal je beschermen, lieve draak. Dat beloof ik jou!” zei ze tegen het ei.
 

Naarmate de dagen vorderden, bleef de boom Niek en het Drakenei beschermen. Niek merkte het verstrijken van de tijd niet, alleen dat het ei heet werd. De schubben begonnen zich te ontvouwen en haakten zich vast in Niek haar blauwe jas, en zij hield het ei nog altijd stevig vast. Haar gedachten aan de dood werden steeds duisterder, ze kwamen sneller in haar op. Haar triestheid werd van langsom erger en haar lichaam schudde vaak door diepe snikken.
Toen, op een dag, net toen de storm zijn hoogtepunt bereikte, begon het ei open te gaan. Een oranje gloeiende barst begon bij de punt en vloog over het ei als een breuk die zich door glas verspreidde. Niek sloot haar ogen uit angst voor wat er ging gebeuren. Tranen stroomden uit haar ogen en toen het ei met een luid gekraak brak zei ze tot zichzelf:

 

"Het is volbracht. Nu is mijn tijd voorbij."
 

Toen barstte de schaal van het ei volledig open. Een majestueus schepsel van puur blauw sprong uit zijn schelp als een vloed van mystiek water.
Niek was emotioneel uitgeput, en ze sloeg haar ogen op. Wat zij zag deed haar verstomd staan.

 

"Je bent geen Vuurdraak." zei ze.
 

"Nee," De grote draak grapte. “Ik ben geen Vuurdraak."
 

“Wat ben jij dan wel?"
 

“Het tegenovergestelde: een Waterdraak. Iemand die je droog kan houden van de regen.”
 

De draak opende zijn grote vleugels en spreidde ze over Niek heen.
 

"Ze zijn regenbestendig." zei hij fier.
 

Niek huilde, maar dat was niet omdat ze nog triest was. Het vloeien van haar tranen hield niet op toen ook de draak zich bij haar voegde en ook begon te huilen. Hun tranen werden een groot meer. Dat strekte zich uit tussen waar nu Kortessem, Tongeren, Bilzen en Lanaken liggen. Drinken van het water van dat meer genas iedereen die treurde of die diep bedroefd was.
 

Dat meer is er ondertussen niet meer. Teveel mensen kwamen van dat water drinken, en daardoor is het meer stilaan opgedroogd.

© Bruno Roggen, Anhée, 2021


Submitted: October 05, 2021

© Copyright 2021 impetus. All rights reserved.

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Add Your Comments:


Facebook Comments

More Fantasy Short Stories

Other Content by impetus

Short Story / Romance

Short Story / Romance

Short Story / Romance