De Charme van Anna Paens

Reads: 59  | Likes: 0  | Shelves: 0  | Comments: 0

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Status: Finished  |  Genre: Horror  |  House: Booksie Classic

In een afgelegen gehucht woont een prachtige huwbare jonge vrouw. Er zijn veel jonge mannen die interesse voor haar hebben en haar achternazitten. Toch komt het tot niets, met geen enkele van die mannen. Wat zou er met die schoonheid toch wel aan de hand zijn?

De Charme van Anna Paens
 

door Bruno Roggen


Verwittiging:
 
Alle overeenkomsten met reëel bestaande personen en/of situaties zijn louter toevallig en vallen volledig buiten de wil, het opzet en de verantwoordelijkheid van de auteur.


Vele jaren geleden, zo vertelde mijn grootmoeder, moet er tussen Hasselt en Diepenbeek een klein dorpje geweest zijn dat nu niet meer bestaat. Het lag, volgens haar, rechts van de steenweg als je van Hasselt kwam, ergens in het achterland tussen de Keizel en Russelbeek. Het gehucht, want een echt dorp was het niet, telde maar enkele huizen en lag afgelegen van de bewoonde wereld. Je kon er alleen maar geraken langs een karrenspoor dat vaak erg modderig was. Mensen uit de omgeving waagden er zich niet, en daar was reden voor…

In dat afgelegen oord woonde er een jong meisje met haar ouders, Heinke Paens en zijn vrouw Mina. Hun dochter Anna was betoverend mooi. Zij had prachtig zwart haar, een melkwitte huid en liefelijke diepblauwe amandelvormige ogen. Zij was uitzonderlijk aantrekkelijk. Van overal, niet alleen uit Diepenbeek en Hasselt, kwamen er jonge mannen om Anna het hof te maken en om haar te vragen om met hen mee uit te gaan.

Het ging van mond-tot-mond hoe aantrekkelijk Anna Paens wel was. Dat maakte dat meer en meer jongens en jonge mannen zich meldden op de drempel van het lemen huis van Heinke en Mina. Zij overlaadden Anna met complimenten, verklaarden haar hun liefde en smeekten haar om haar mogen mee te nemen als ze uitgingen die avond.

Nu was er wel een probleem: geen enkele van die jonge mannen bleef langer bij Anna dan voor één enkele afspraak. Op de steenweg zagen de mensen die mannen wegrennen zo snel ze konden, terwijl ze schreeuwden van schrik en afschuw, voordat de avond zelfs voorbij was. Wat wel raar was: geen enkele van die mannen wou ook maar één woord uitleg geven over wat er gebeurd was. Wel zegden ze allemaal dat ze nooit vanzeleven Anna Paens nog wilden terugzien...

Zo kwam het dat de jonge mannen na een tijdje ophielden om Anna Paens te komen opzoeken. Haar ouders, en vooral haar moeder Mina, begonnen zich zorgen te maken dat hun dochter nooit een man zou vinden. De geruchtenmolen begon te draaien in de wijde omgeving. De wildste geruchten over Anna Paens begonnen te circuleren. Mensen dachten dat er iets mis was met de mooie jonge vrouw. Sommigen beweerden dat ze een slechte, onhandelbare persoonlijkheid had. Anderen zeiden dat Anna aan een vreselijke aandoening leed of een ‘vieze ziekte’ had en dat ze daardoor alle jongens van zich wegjoeg. Maar de ergste roddelaars hielden vol dat Anna Paens eigenlijk geen gewone vrouw was, maar een veldheks, of nog erger, een duivelin in mensengedaante...
Die kwaadsprekerij kwam ook aan de oren van Heinke Paens en Mina. Haar ouders waren als van de hand Gods geslagen. Ze waren verbijsterd, en stelden zich de vraag waarom er zoveel slecht over hun mooie dochter werd verteld. Mina vroeg zich bezorgd af waarom zoveel jonge mannen bang waren voor hun dochter. Immers, in het gezelschap van haar ouders was Anna meestal opgewekt en vrolijk, en zelfs bijna nooit slecht gehumeurd. Ze las ijverig boeken waarin veel wijsheid stond en waardoor ze veel leerde. Nooit had ze bezwaar gemaakt als haar moeder Mina haar vroeg om te helpen met huishoudelijke taken.

Het werd Allerheiligen. Voor het seizoen was het weer nog tamelijk mild. Het had tot dan toe nog niet gevroren, maar veel zon was er niet meer, en het regende bijna elke dag.
Op Allerzielen was Heinke Paens tegenover zijn geleeg met zijn zeis gras aan het maaien voor zijn konijnen. Als uit het niets kwam er plots een jonge man aangelopen over het karrespoor. Heinke schrok, want hij had de vreemdeling pas op het laatste nippertje gezien, toen die al vlakbij was. Hij hield op met maaien, en bekeek de man van kop tot teen. Die zag er heel normaal uit, behalve zijn ogen. Die stonden heel wild en ze hadden een vreemde gelige glans. Heinke Paens was een beetje op zijn hoede voor de vreemde man, en vroeg:

“Wat zoek jij hier eigenlijk? Kun je me vertellen wat je van ons wilt?”

“Ik wil graag kennismaken met je dochter,” zei de man. “Ik kom van erg ver om haar te zien.”

“Van waar kom je dan wel?” vroeg Heinke Paens.

“Och, van ver, van een plaats waar je nog nooit van gehoord hebt, wed ik. Of zegt de naam Garolstad je toch iets?”

“Nee, daar heb ik inderdaad nog nooit van gehoord,” moest Heinke toegeven. “Wat brengt je eigenlijk van zover naar hier, als ik je dat vragen mag?”

“Ik heb in mijn stad gehoord over je dochter Anna, en dat ze een van de mooiste meisjes is van mijlen en mijlen in de omtrek.”

De vader van Anna was dolblij dat er eindelijk weer een huwbare man belangstelling had voor Anna, en Mina was nog blijer. Enthousiast verwelkomden Heinke en Mina de jonge man in hun huis en stelden hem voor aan hun mooie dochter. De pracht van het meisje deed de jongeman zijn adem inhouden. Zelf leek Anna erg verlegen, en ze keek nooit de man in zijn rare ogen, op geen enkel moment. Ze sprak erg zacht, nauwelijks hoorbaar. Haar stem ging nauwelijks boven een fluistering, en haar gezicht kreeg een dieprode kleur elke keer als hij met haar sprak.

Hoe dan ook, de jongeman uit Garolstad was in de ban van haar schoonheid en vroeg haar om met hem mee uit te gaan. Eerst aarzelde Anna. Ze zei noch ‘ja’ noch ‘nee’ op zijn uitnodiging. Ook haar waren de vreemde ogen van de man opgevallen. De jonge man was erg ontgoocheld, maar dat bleef hij niet. Toen hij vertrok en al naar de deur liep om weg te gaan kwam Anna hem achterna. Buiten, zonder dat Heinke en Mina dat hoorden, accepteerde ze zijn uitnodiging.
De man was dolblij. Zijn ogen schitterden en rolden in hun kassen. Hij kon wel zingen en dansen van vreugde. Hij bood zijn arm aan Anna aan om haar door het karrespoor naar de steenweg te loodsen. Maar Anna Paens weigerde op zijn galante geste in te gaan. Ze antwoordde hem vriendelijk:

“Niet nu, Heb nog even geduld. Kom terug op klokslag middernacht. Klop niet op de deur, maar op het raam van mijn slaapkamer. En klop ook niet te hard, want anders ga je mijn ouders wakker maken.”

De jonge man was verrast, maar die avond keerde hij terug om klokslag middernacht en tikte voorzichtig op Anna’s slaapkamerraam. Het venster ging onverwacht open, en het meisje klom er in haar nachtkleed doorheen.

“Voordat ik uitga met je moet je me eerst iets beloven.” zei ze zachtjes.

De jonge man was blij en vrolijk, en hij knikte heftig met zijn hoofd van ‘ja’.
Anna zei: “Ik wil je een liefdesproef afnemen. Je kan enkel voor die proef slagen als je me echt liefhebt. Als je de proef niet wil doen, of er niet in slaagt, beloof me dan dat je nooit aan een levende ziel  zal vertellen over wat er gebeurt vannacht.”

De jongeman had geen idee waaraan de mooie jonge vrouw zat te denken, maar hij stemde toe om in dat geval te zwijgen:

“Ik beloof je op mijn erewoord dat ik nooit een woord hierover zal zeggen.” verzekerde hij Anna. Om zijn belofte kracht bij te zetten sloot hij zijn ogen en hield hij zijn hand op zijn hart.

“Goed, volg mij maar.” zei het meisje.

De jongeman vroeg: “Waar gaan we heen?”, maar Anna bleef zwijgen.

Die nacht werd de maan verduisterd door een sluier van donkere wolken. In de streek van de Demer werd toen door de mensen geloofd dat er in de tijd rond Allerheiligen en Allerzielen geesten en kwaadwillige monsters rondzwierven in de dorpen tijdens dat soort nacht.
Ann Paens stapte voorop. Zij leek wel over het ongelijke hobbelige  karrespoor te zweven. De man van Garolstad had alle moeite om haar te volgen, en hij struikelde geregeld in de pikdonkere nacht. In de verte hoorden de twee jonge mensen het verschrikkelijke geluid van honden die huilden en maar bleven huilen.
Ze vervolgden hun weg door het verlaten gehucht en bereikten de steenweg naar Hasselt.  De man had gedacht dat ze dan ofwel naar Hasselt, ofwel naar Diepenbeek zouden gaan. Die bedoeling had Anna Paens niet. Ze stak de steenweg over, en de twee gingen te gries in de richting van de Demer tot ze het Henkaersbos in stilte bereikten.
De jonge man moest zich haasten om het meisje bij te houden  terwijl zij gejaagd in het bos een donkere, overwoekerde weg insloeg. Die werd omzoomd door grote populieren die hoog boven hen uit torenden als kolossale reuzen.
Ze kwamen uiteindelijk bij een oud kerkhof met verweerde  grafstenen. De maan tuurde uit van achter de wolken, waardoor een zwak licht over oude grafzerken bedekt met mos, klimop en wilde wingerd viel.

Plots stokte de jongeman zijn adem door wat hij nu te zien kreeg. In de wind fladderde het witte nachthemd van het meisje. Ze stond aan de rand van een onlangs gedolven graf. Ze nam een verroeste oude spade en begon nog dieper te graven. Verstrooide klonten aarde vlogen overal in het rond terwijl de man sprakeloos stond toe te kijken. Anna zeeg vervolgens op haar knieën en veegde de resterende aarde weg met haar handen tot ze de doodskist vond. Tot de man zijn afschuw lichtte ze het deksel naar omhoog, stak haar hand in de witte lijkwade, en scheurde een arm uit het lichaam dat er in gewikkeld was. Zij pakte die arm, en stak hem ter hoogte van de elleboog tussen haar tanden. Terwijl de man haar zat aan te staren, kauwde ze erop, luid en met smakkende geluiden.

“Dit is de proef van jouw liefde voor mij,” zei ze tegen de man van Gerolstad. “Als je van me houdt, zul je doen wat ik doe en eten zoals ik eet.”

Daarop pakte ze de andere arm van het lichaam uit de lijkwade en gooide die naar de jonge man. Hij twijfelde geen ogenblik. Hij greep de arm, ademde diep in en beet er een groot stuk uit. Hij was geweldig verrast nu hij die arm proefde! Hij had geen idee gehad dat mensenvlees zo lekker zou zijn!
Maar hij besefte plots dat hij helemaal niet van een lijk aan het eten was. Het was allemaal een grap, natuurlijk. Het was helemaal geen echte arm, maar eerder een soort gebak, gemaakt van boekweitmeel, eieren, honing en suiker, geboetseerd in de vorm van een echte mensenarm…

De mooie Anna Paens barstte in lachen uit toen ze het verbouwereerde gezicht van de man zag, maar ze was ook erg blij, en zei:

“Weet je, van alle jongens die kwamen om me mee uit te nemen ben jij de enige die niet in paniek is weggelopen. Ik wil met een echte man trouwen, iemand die grenzenloos van me houdt en blindelings doet wat ik hem vraag. Wat jij zopas gedaan hebt geeft aan dat jij die man bent. Nu ben ik ook echt verliefd op jou.”

Tot Anna’s verbazing was er geen spoor van een glimlach op het gezicht van de jongeman te bespeuren. Hij stond daar stokstijf tussen de graven in het schemerige licht van de maan die af en toe tussen de jagende wolken te voorschijn kwam, Met zijn gelig glanzende ogen staarde hij naar haar. Tot Anna’s verstomming waren er haat en woede te zien in zijn ogen.

“Is het dit maar?” snauwde hij Anna toe. “Iets wat jij zelf gebakken hebt en waarmee je mij in de luren wou leggen?”

Hij nam vervolgens de spade en begon aan een ander graf te graven. Toen hij op de kist stootte brak hij die open met het scherp van de spade. Hij ging op zijn knieën liggen en begon het dode lichaam dat er binnen in lag te verslinden.  

Deze keer was het Anna Paens die schreeuwde van ontzetting. Net zoals dat gebeurd was met de vorige jongemannen sloeg zij nu zelf in paniek op de vlucht. De man uit Garolstad kwam haar niet achterna. Hij liet alleen in de nacht een ijselijke lach horen die het bloed van Anna in haar aders deed stollen…

Die nacht werd het prachtige zwarte haar van Anna Paens grijs op enkele uren tijd. Toen ze ‘s morgens opstond keek ze in de spiegel, en ze leek niet eens meer op de prachtige jonge vrouw die ze geweest was tot de avond ervoor. Ze staarde in het gezicht van een oude, zorgelijke vrouw.

Anna Paens bleef niet wonen bij haar ouders, maar ze trad binnen in het Bonnefantenklooster van de Zusters Sepulchrijnen in Maastricht. Na enkele jaren kloosterleven kon Anna daar niet meer blijven. Haar geest was te erg in de war. Bijna elke nacht dwaalde ze verdwaasd rond in de kloostergangen en prevelde allerlei dingen die niemand begreep, maar die leken op bezweringen…

Zo gebeurde het dan dat Anna Paens opgesloten werd in het krankzinnigengesticht van Munster. Daar stierf zij ook, niet eens dertig jaar oud.


© Bruno Roggen, Anhée, 2021


Submitted: November 01, 2021

© Copyright 2021 impetus. All rights reserved.

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Add Your Comments:


Facebook Comments

Other Content by impetus

Short Story / Romance

Short Story / Romance

Short Story / Romance