Trektocht in Beverlo

Reads: 65  | Likes: 0  | Shelves: 0  | Comments: 0

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Status: Finished  |  Genre: Horror  |  House: Booksie Classic

Om te proberen vrijwilligers voor het Belgisch Leger aan te werven organiseert de legerleiding allerlei activiteiten, onder andere een trektocht op het militair domein van het Kamp van Beverlo, maar daar gebeurt iets onverwacht...

Trektocht in Beverlo


door Bruno Roggen

 


Verwittiging:

Alle overeenkomsten met reëel bestaande personen en/of situaties zijn louter toevallig en vallen volledig buiten de wil, het opzet en de verantwoordelijkheid van de auteur.

Het was dringend nodig dat het Belgische Ministerie van Defensie iets deed aan zijn imago. Toen de Hasselaar Steven Vandeput als minister dat departement nog beheerde was er geen vuiltje aan de lucht geweest. Nooit tevoren was het Belgisch leger onder de bevolking zo populair, en nooit zo efficiënt beheerd.
Maar eens Vandeput niet meer Minister van Defensie was ging de populariteit van het Belgisch Leger bergaf. Het werd een echt probleem om vrijwilligers te vinden die hiaten in de verschillende legerafdelingen wilden opvullen. Er werden te dien einde verscheidene ‘glamour’ campagnes gelanceerd, in de geschreven pers, op radio en televisie, en ook op de sociale media was Landsverdediging plots erg actief. Een van de initiatieven was nogal drastisch: de hogere legerleiding besliste dat het hele militaire apparaat, zijn installaties, zijn kazernes en zijn oefenterreinen stilaan voor het grote publiek moesten opengesteld worden. Er werd enkel een uitzondering gemaakt voor de hoogst geheime opslagplaatsen van kernwapens, zoals op de vliegbasis van Kleine Brogel en die van Florennes.

 

Zo was er een pientere luitenant-kolonel namens Tijtgat die een neus had voor trends. Meer en meer merkte hij dat allerlei natuurverenigingen zoals Natuurpunt, fiets- en wandelorganisaties zoals de Fietsersbond en de Vlaamse Stappers de wind in de zeilen hadden, en meer en meer leden aantrokken. Tijdens een brainstorming-vergadering met generaal Troubal de Châte legde Tijtgat een voorstel op tafel: waarom zouden ze ter gelegenheid van de Nationale Feestdag op 21 juli in het uitgestrekte Kamp van Beverlo geen trektocht organiseren? Niet zomaar een wandeltocht, maar een soort mars van twintig of dertig kilometer? Ruimte was er op het militair domein genoeg, zoveel zelfs dat de marcheerders niet eens twee keer op dezelfde plaats moesten voorbijkomen. Die activiteit zou openstaan voor zowel wandelgroepen in georganiseerd verband, als voor individuele deelnemers die als vrienden of in gezinsverband, of helemaal op hun eentje, de trektocht wilden maken. Een soort ‘Dodentocht’ zoals die van Bornem mocht het niet worden. Iedereen die fysiek in orde was moest zonder problemen de trektocht kunnen afmaken en het zich achteraf niet beklagen, maar wel de loftrompet steken over het leger en het militair personeel. Dat zou zeker de werving van nieuwe vrijwilligers voor de strijdkrachten vergemakkelijken...
 

Het voorstel van luitenant-kolonel Tijtgat werd op enthousiasme onthaald door generaal Troubal de Châte en door de rest van de hoogste legerleiding. Aan Tijtgat werd bijgevolg de opdracht gegeven om dat prachtige initiatief uit te werken en de trektocht te organiseren. Er werd zelfs gesuggereerd dat, als die tocht voldoende belangstelling kreeg en een succes werd, Tijtgat wel mocht denken aan een bevordering tot generaal.
 

Het organiseren had wel wat voeten in de aarde, maar Tijtgat kreeg alle steun onder vorm van manschappen en middelen om het initiatief op poten te zetten. Eens dat gebeurd was volgde er een soort mediastorm waarin de trektocht op 21 juli in alle mogelijke geuren en kleuren in de belangstelling van het grote publiek werd gebracht.
 

Op de Nationale Feestdag was het mooi weer, zonnig met wat bewolking, en niet te warm, zo rond 25°, eigenlijk mooi trektochtweer. Het was dan ook niet te verwonderen dat al van vroeg in de morgen honderden kandidaten zich aanmelden. De marcheerders waren leden van grote wandelgroepen, sommigen kwamen in familiaal verband, anderen als koppel of helemaal alleen om aan de dagmars van iets meer dan 25 kilometer te beginnen. Veiligheidshalve had luitenant-kolonel Tijtgat in het totaal zeven verschillende vertrekpunten aan de randen van het Kamp van Beverlo bepaald, telkens met een andere roadmap en bewegwijzering. Het was Tijtgat zijn bedoeling dat de deelnemers elkaar niet voor de voeten zouden lopen.
 

Ook het echtpaar Franssen-Theunis nam deel aan de tocht. Voor Piet Franssen was dat geen probleem. Hij wandelde, jogde en fietste veel. Bijna heel zijn vrije tijd buiten zijn taak als onderwijzer besteedde hij daaraan. Het was wel enigszins anders voor zijn vrouw Annemie Theunis. Zij was bediende in de Provinciale Bibliotheek in Hasselt en oefende daar een ‘zittend’ beroep uit. Haar vrije tijd besteedde ze aan het lezen van romans en in haar keuken bracht ze ook veel tijd door. Zij hechtte erg veel belang aan gezonde voeding. Naast het bereiden van gerechten met veel groenten bakte Annemie zelf bruin brood en suikerloze taarten. Ook maakte zij, naar eigen zeggen, de beste natuurlijke Limoncello die je in Limburg kon krijgen…
 

Geen wonder dus dat bij de trektocht Annemie moeite had om het tempo van haar man te volgen. Ze transpireerde overvloedig, en ze kreeg pijn in haar linkerheup.
 

“Hoeveel kilometer hebben we eigenlijk al afgelegd?” vroeg ze aan Piet.  
 

“Bijna zeven,” antwoordde hij, terwijl hij keek op de elektronische stappenteller rond zijn pols. “Zes kilometer achthonderdvierenzeventig meter, om precies te zijn.”
 

“Nog niet meer? Geloof je, Piet, dat ik je echt haat op dit moment!”
 

“Waarom dan wel?”
 

“Om me te overtuigen met je mee te komen zei je dat het een wandeling was van een fluitje van een cent.”
 

“Een wandeling, dat heb ik nooit gezegd. Wel dat het niet moeilijk was om die tocht te maken.”
 

“Je zou een hobby moeten zoeken.”
 

“Dit is mijn hobby.”
 

“Ik bedoel, eentje waarbij je op je krent kan blijven zitten, en liefst dan nog met airco. Zoals ik bij mijn werk in de bibliotheek. Doe jij wat je wil, maar ik moet even rusten en wat drinken voordat ik in staat ben om verder te gaan.”
 

Daar had Piet niets op tegen. Ze gingen in het gras zitten in de schaduw van een boom. Op dat ogenblik kwam een moeder met haar twee tienerdochters uit de tegenovergestelde richting. De drie kwamen naar Piet en Annemie toe, en de moeder sprak ze aan:
 

“Hallo, prettige Nationale Feestdag! Leve België!” zei de vrouw. “Echt een mooie dag om hier in de natuur rond te trekken, vindt u niet?”  
 

“Dat is het zeker!” beaamde Piet volmondig.
 

“Ja, echt geweldig,” zei de moeder. “Ze treffen het met het weer.”
 

“Doet u met uw dochters ook de hele trektocht?” vroeg Annemie.
 

“Euh... heuh,” zei de moeder. “Ik… Ja, dat is toch de bedoeling.”
 

“En uw twee dochters, leggen die ook al die kilometers af?” drong Annemie aan, en ze wees op de twee tienermeisjes.
 

“Oh? Jazeker, zij doen het dolgraag,” zei de moeder. “Jonge benen, een hoop energie, weet u…”
 

Piet moest op zijn lippen bijten. Hij probeerde niet te lachen omdat zijn echtgenote bijna niet meer op haar benen kon staan. Door wat de vrouw zei had Annemie nu het bewijs dat het niet de zware uitputtende tocht was die zij ervan maakte.
 

"Misschien tot ziens, een fijne dag nog,” zei de vrouw. “We moeten gaan.” De drie liepen langs Piet en Annemie heen zonder ze zelfs nog te bekijken.
 

Ze pauzeerden nog een paar minuten zodat Annemie meer water kon drinken.
 

"Ik zei toch dat het niet zo moeilijk was," zei Piet. “Nu heb je het eens van iemand anders gehoord. Zelfs die meisjes die ik twaalf en veertien schat doen de hele trektocht met hun vingers in hun neus.”
 

"Ik haat je nog altijd om wat je me hebt aangedaan," zei Annemie. “Kom, laat ons toch maar verder gaan. Hier onder die boom valt er ook niet veel te beleven.”
 

Ze stapten verder. Niet veel later kwamen ze langs een man die een beetje van het pad afgeweken was en iets in zijn tas stopte. Hij had een militair camouflagepak aan en hij deed Annemie ongewild denken aan die andere militair door wie er een ware mensenjacht was ontstaan op een andere plaats in de provincie. Deze man keek geschrokken toen Piet en Annemie langs hem heen kwamen. Annemie kon er haar vinger niet op leggen, maar die man die zo verdacht deed gaf haar de kriebels. Hij zag er zo gemeen uit, en hij keek zonder reden dreigend in hun richting.
 

"Heb je die vent daarginds gezien?" vroeg ze aan Piet zodra ze buiten gehoorsafstand waren.
 

"Je bedoelt ‘Meneer Opsporing Verzocht’ van zoëven?"
 

"Ja, die."
 

"Zeker heb ik die gezien. Het minste wat ik kan zeggen is dat ik nooit fan van hem ga worden. Hij maakte me bang, waarom, dat weet ik niet.”
 

“Heb jij gezien wat hij in zijn tas stak?'
 

"Nee, ik wilde niet in zijn richting staren."
 

"Een griezel... Ik ben blij dat we bijna klaar zijn."
 

"Bijna klaar? Waarmee?"
 

"Och, kom op! Ik doe niet meer mee. Ik heb genoeg afgezien. Jij ziet maar wat je doet.”
 

“Ce que femme veut, Dieu veut..." zuchtte Piet, en hij liep dan maar mee met Annemie naar de dichtstbijzijnde uitgang van het militair domein.
 

Het was chaos toen ze daar aankwamen. Aan de uitgang was het een puinhoop, een wirwar van militairen, enkele boswachters en een massa politieagenten. Er werd iemand in een ambulance geladen. Een van de aanwezige officieren, een kapitein, kwam naar Piet en Annemie toe. Hij vroeg hun namen en controleerde ze op een lijst.
 

"Wat is er gebeurd?" vroeg Piet.
 

“Iemand is aangevallen, waarschijnlijk door een dolgedraaide wandelaar, of iemand onder invloed van drugs,” zei de kapitein. “Dat zegt hij wel, maar de man zijn uitleg is nogal verward. Misschien vergist hij zich, en werd hij gebeten door een loslopende grote hond, een Pitbull of zo. Er zijn nog altijd onverantwoordelijken op de trektocht die hun honden niet aan de leiband houden… Alleszins, we sluiten de paden af. Het is een puinhoop. Jullie zijn de laatsten op de lijst aan deze ingang, en jullie zijn veilig en wel hier geraakt, gelukkig!"
 

"Hoe zit het met de moeder en de twee kleine meisjes?" vroeg Annemie.
 

De officier schudde zijn hoofd, en antwoordde: “Daar weet ik niets van. Jullie zijn de laatsten op de lijst die zich aan deze uitgang hebben aangemeld. We hebben geen gegevens van iemand anders daarbuiten."
 

"Jullie gaan ze dan niet zoeken?"
 

“Nee, dat kan niet. We zijn te dun verspreid over het hele militaire domein. Op al de andere paden zijn er nog teveel mensen die naar de uitgangen begeleid moeten worden.”
Daarmee ging de officier weg en begon druk te praten met twee andere militairen en een politiecommissaris.

 

“We kunnen die vrouw en haar kinderen daar niet achterlaten,” zei Annemie. “Misschien beseffen ze niet welk gevaar ze lopen.”
 

"Je bent gek. Er is daar in het bos iets gevaarlijk aan de hand."
 

“Ik weet het, Piet. Maar geef toe, je zult je vreselijk voelen als we horen dat er iets met hen is gebeurd. Ze zijn waarschijnlijk op de terugweg. Het mag niet te lang duren."
 

Annemie aarzelde even, en zei toen: "En we kunnen ze daar niet achterlaten met die enge kerel in camouflagepak die we in het bos gezien hebben."
 

“Goed dan, prima. Laten we dan maar teruggaan.” gaf Piet toe.
 

Ze liepen deze keer veel sneller en volgden hun stappen langs het pad nu in tegenovergestelde richting. Nog geen kilometer terug in het bos hoorden ze een ijselijke schreeuw die door merg en been ging. Ze renden allebei in de richting vanwaar die kreet kwam.
 

"Oh God! Als die akelige vent hen maar niets heeft aangedaan!" zuchtte Annemie terwijl ze langs Piet op rende.
 

Uiteindelijk vonden Annemie en Piet ze, een stuk van het pad af, diep in het bos. Maar het was niet wat ze dachten. Het was de akelige man die schreeuwde in doodsangst. Hij lag op de grond, druipend van het bloed, in zijn in flarden gescheurde camouflagepak. Maar dat was niet het vreemdste. De twee kinderen zaten bovenop hem en scheurden ingewanden en lappen vlees uit hem, maar ze waren anders, geen gewone tienermeisjes meer. Ze waren bedekt met vacht en gromden en huilden als twee honden. Of als jonge wolvinnen? Plots realiseerde Annemie zich dat ze wolven waren. Tijd om veel na te denken kregen Piet en Annemie niet.
 

“Het spijt me dat jullie dit moesten zien,” zei de moeder. “Waren jullie er zich dan niet van bewust dat dit ons gebied hier is, het militair domein van Beverlo? En dat dit het Wolvenpad is? Daar is nochtans genoeg ruchtbaarheid aan gegeven! In elk geval, ik leer de meisjes jagen. Ik dacht dat niemand nog hier zou zijn met de afleiding die ik heb veroorzaakt door een van de trekkers in zijn been te bijten, de man die weggevoerd is met de ambulance.”
 

“We... we kunnen gewoon doen alsof het nooit is gebeurd, en of we niets gezien hebben…” zei Piet, terwijl hij langzaam probeerde achteruit te gaan.
 

"Ja, we zullen niets zeggen, tegen niemand." zei Annemie. “Erewoord!”
 

"Het spijt me," zei de moeder terwijl ze begon te veranderen en net als haar dochters een prachtige wolvenvacht begon te krijgen. "Ik kan dat risico niet nemen, dat moeten jullie begrijpen."
 

En zo steeg er weer een bloedstollend gehuil op in dat deel van het bos van het Kamp van Beverlo…

© Bruno Roggen, Anhée, 2021


Submitted: November 02, 2021

© Copyright 2021 impetus. All rights reserved.

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Add Your Comments:


Facebook Comments

More Horror Short Stories

Other Content by impetus

Short Story / Romance

Short Story / Romance

Short Story / Romance