Wilde Zonnebloem

Reads: 19  | Likes: 0  | Shelves: 0  | Comments: 0

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Status: Finished  |  Genre: Horror  |  House: Booksie Classic

Een gepensioneerde stadsbediende is bang om geestelijk af te takelen. Om zijn zinnen te verzetten werkt hij veel in zijn bloementuin. Op een dag verschijnt daar plots een zonnebloem die hij niet gezaaid of geplant heeft...

Wilde Zonnebloem
 

door Bruno Roggen


Cover: eigen foto.


Verwittiging:

Alle overeenkomsten met reëel bestaande personen en/of situaties zijn louter toevallig en vallen volledig buiten de wil, het opzet en de verantwoordelijkheid van de auteur.


Eens hij zestig werd vond Robert Bruyninckx dat het tijd was om nog wat van zijn leven te profiteren. Bijna veertig jaar lang was hij in Hasselt op het stadhuis als ambtenaar actief geweest, de laatste jaren van zijn carrière op de dienst Burgerlijke Stand. Het was nu tijd om plaats te maken voor de jeugd…
 

Bruyninckx vond dat zijn toestand, voor zijn leeftijd, nog best meeviel. Hij was bijlange nog geen oude man, want hij was gezond, kwiek en goed te been, en hij zag er nog jong uit voor zijn jaren. Een klein probleem had hij wel: toen hij halfweg vijftig was begon zijn geheugen na te laten. Beterschap daarvoor zat er niet meer in, dat had een neuroloog van het Jessa ziekenhuis hem gezegd. En inderdaad, het werd stilaan erger. Eerst was Robert erg bang geweest dat hij misschien binnenkort Alzheimer zou krijgen en seniel of dement zou worden… Maar ja, als dat zijn lot was, dan viel daar toch niets aan te doen. Hij berustte erin dat hij zijn verder leven zou moeten nemen zoals het kwam...
 

Eigenlijk had Bruyninckx op zestig niet te klagen: hij had een mooi huis met een tuin op het Hollands Veld dat afbetaald was, en nog een appeltje voor de dorst bij de KBC. Natuurlijk, het leven had ook van hem zijn tol geëist. Hij was zijn vrouw verloren aan een godsdienstleraar uit Diest. Andrea had hem voor die man verlaten toen zij veertig en hij negenenveertig was. Als gevolg van hun scheiding hadden hun twee dochters ook partij gekozen: Hadewijch, de oudste, had resoluut de kant van haar moeder gekozen. Ze had alle bruggen met haar vader opgeblazen en kwam hem op het Hollands Veld nooit meer bezoeken. Zelfs wenste ze hem niet eens meer een gelukkige verjaardag. Dat deed de jongste dochter wel. Cornelia was erg bezorgd om het welzijn van haar vader van wie ze altijd de oogappel was geweest. Zij kwam hem minstens eens per week bezoeken om te zien hoe hij het maakte en of hij niets tekort kwam. Als dat zo was ging ze voor hem naar de Delhaize op de Luikersteenweg en kocht wat hij nodig had.
 

Het leven had hem niet echt gespaard, maar ondanks alles was Robert Bruyninckx positief gebleven. Al van toen hij nog stadsambtenaar van Hasselt was vond hij een uitlaatklep in tuinieren. Dat deed hij graag, zonder echt groene vingers te hebben of een tuinmaniak te zijn. Het ploeteren in de tuin verzette zijn gedachten, en hij genoot ervan alles te zien groeien en bloeien.
 

Dat veranderde ook niet eens Bruyninckx op pensioen was. Prachtige kleuren vermengden zich in zijn tuin, en het leek of bloemen en planten een kleurenballet dansten in de perken. Robert hield van die razernij van de tuinflora. Hoewel zijn hart gekneusd was door het trauma dat zijn ex-vrouw hem had aangedaan glimlachte hij nog altijd vriendelijk op iedereen, zelfs als hij die persoon niet kende. Of niet meer herkende?
 

Op een ochtend ging Robert zoals gewoonlijk naar zijn tuin, maar hij werd plots tegengehouden door een vreemde aanblik. Een grote wilde, maar gezonde en prachtige zonnebloem was tussen een van zijn bloembedden gegroeid en torende hoog boven zijn speciaal gearrangeerde kleurenpalet uit. Die bloem was, tot verwondering van Robert, op één enkele nacht uit het niets gekomen en zo hard gegroeid dat ze nu zeker twee meter hoog was. Ze had een stevige stengel met een kroon van levendige gouden bloembladen en een bruin bloemhart.
 

“Is het weer mijn geheugen dat me in de steek laat?” vroeg Bruyninckx zich af. “Ik moet er aan voorbij zijn gelopen zonder dat ik die wilde zonnebloem opmerkte, dat kan ook.” dacht hij. Verrukt met zijn nieuwe zaailing gaf hij die water en zorgde ervoor dat de bloem voldoende ruimte had om te groeien. Hij kreeg een warm gevoel, en trots glimlachte hij om hoe een prachtig exemplaar het wel was.
 

De volgende ochtend wandelde Robert erg vroeg naar zijn tuin om zijn nieuwe trots en bron van vreugde te inspecteren. Plots hield hij weer halt, onzeker. Hij moest zich niet goed hebben herinnerd in welk bloembed de zonnebloem was gegroeid. Hij was er zeker van dat het het bed was dat het verst van het huis weg lag, maar in plaats daarvan stond de wilde zonnebloem nu dichterbij. Echt geamuseerd door een nieuw bewijs van zijn geheugenverlies was Robert niet. Toch grinnikte hij, haalde zijn schouders op en gaf de zonnebloem weer heel voorzichtig water.
Hij was niet oud genoeg om dement, seniel of gek te worden, vond Robert Bruyninckx, maar misschien had hij wat meer slaap nodig. Hij besloot die avond eerder naar bed te gaan om zichzelf terug op te laden.

De volgende ochtend wandelde Robert zijn tuin in, fris en monter dit keer. Opnieuw was het alleen om te ontdekken dat de zonnebloem niet in hetzelfde bloembed stond als de dag ervoor. Ze was in plaats daarvan teruggegaan naar het het perk dat het verst verwijderd lag van het huis.
 

Dit was totaal onverklaarbaar! Robert voelde een zekere angst in zich opkomen toen hij terug naar zijn huis rende. Hij begon te zoeken en te rommelen in zijn lades. Hij vond de dikke rood gekleurde viltstift met onuitwisbare inkt die hij zocht, en ging terug de tuin in. Aan het bloembed waar de wilde zonnebloem in stond legde hij een platte steen en tekende er een kruis op met de rode viltstift. Het was voor zijn eigen gemoedsrust, maar die kwam niet terug. In zijn achterhoofd kroop de akelige gedachte rond dat het nu zover was, en hij voelde zijn gezond verstand wegglippen.

De volgende ochtend sprong Robert al om half zes uit bed, maakte zich klaar en rende de tuin in, recht op de steen af die hij had gemarkeerd met het kruis. Die lag er nog altijd, Alleen was er geen spoor van de zonnebloem in dat perk. Die was weer verhuisd naar een dichter bij het huis gelegen bloembed.
 

Robert Bruyninckx begon op zijn benen te beven. Gedachten aan een onvermijdelijke dementie, of het ten prooi zijn aan een zinsbegoocheling of een illusie plaagden en martelden zijn geest. Hij moest er zeker van zijn. Voorzichtig hief hij zijn hand op naar de zonnebloem. Zou zijn hand er doorheen gaan? Was het een luchtspiegeling? Zijn vingers gingen over een blad dat slap aan de stengel hing. Het was er zeker, een echt blad, maar Robert hief zijn hand hoger om de zware bloembladen te strelen. Ze voelden zacht aan als zijde, zo fijn om aan te raken met zijn vingertoppen.
Er was nochtans nog iets. Een vreemd gevoel. Hij had zijn hele leven planten en bloemen gehad, maar geen enkele had ooit zo aangevoeld. Het was alsof hij een doffe trilling voelde, misschien omdat zijn eigen zorgen een duistere invloed op hem hadden.

Wat het gevoel ook was, hij had iemand anders nodig om het te controleren. Hij rende naar het huis van zijn buren. Daar woonde Paul Jacobs. Na een korte begroeting en een beetje overreding sleepte Bruyninckx zijn buur mee naar zijn huis en legde de verwarrende verhuis van de zonnebloem uit. Omdat Jacobs het niet helemaal begreep was hij bang dat zijn buurman gek geworden was van eenzaamheid. Robert nam hem mee naar de zonnebloem en vroeg hem om de viltstift te gebruiken en het bloembed te markeren waarin de zonnebloem nu stond. Zonder veel overtuiging nam Paul Jacobs de viltstift aan, maar hij gehoorzaamde en duidde de plaats van de zonnebloem aan, hoewel met tegenzin. Daarna liet hij zijn rare buur achter in zijn tuin, maar niet zonder hem aan te raden een wandeling te maken om wat frisse lucht in te ademen en zijn gedachten te verzetten.
 

De volgende ochtend rende Robert nog vroeger naar zijn tuin, al om iets over vijf, in de hoop dat het allemaal maar een stoornis was, dat hij een tikkel manisch was door een gebrek aan slaap… Maar tot zijn stomme verbazing ontdekte Bruyninckx dat de zonnebloem niet meer in de tuin stond. Alle bloemperken waren gevuld met de gebruikelijke flora zonder nog een spoor van een zonnebloem. Hij zocht dicht bij de grond in elk bloembed, tot op het punt dat hij de andere prachtig aangeplante bloemen begon uit elkaar te scheuren en ze uit de aarde te rukken, wanhopig op zoek naar waar de wilde zonnebloem was gebleven. Bloemblaadjes werden geplukt, stengels gebroken… Al huilend raasde Robert Bruyninckx in wanhoop door zijn bloemperken, en hele planten en bloemstruikjes werden ontworteld.
 

Bruyninckx hield niet op. Nadat hij in enkele uren tijd zijn tuin volledig had vernietigd ging hij verslagen terug naar zijn huis. Daar, klaar om hem te begroeten op de vensterbank, zat de zonnebloem dreigend in een kleine pot die enkel bedoeld was voor het kweken van kruiden.
Robert huiverde. Er was geen logische verklaring voor dat die zonnebloem op de vensterbank beland was, en dan nog in zo een klein potje. Hij bibberde op zijn benen toen hij langs de kwelgeest die de zonnebloem was geworden zijn huis binnenliep, maar zijn ogen wendde hij er op geen enkel moment van af. Hoe klein het potje ook was, en hoe weinig aarde er ook in zat, aan de zonnebloem was er niets veranderd. Zij groeide nog steeds prachtig; de perfecte bloembladen vielen nooit af en het midden van de bloem zag er nog steeds rijkelijk diepbruin uit.

 

“Waarom zou ik wel bang zijn voor een stomme bloem?” vroeg Robert zich af. De vraag deed hem zich gedeeltelijk herpakken, en hij lachte van nervositeit.Terwijl hij een moment in volledige stilte geconcentreerd naar de zonnebloem staarde, realiseerde hij zich iets. Waar ze ook gestaan had in de tuin, en nu ook op de vensterbank, het hoofd van de bloem was altijd naar hem gericht, zoals een zonnebloem constant naar de zon kijkt.
 

Die nacht kroop Robert Bruyninckx langzaam de trap op naar zijn slaapkamer. In zijn geest bleven zijn ogen op de bloem gericht. Hij lag in bed en voelde hoe uit zijn hersenen kwade en afschuwelijke gedachten in zijn hoofd sijpelden. Was de bloem de geest van iemand van die hij op het stadhuis van Hasselt niet naar wens geholpen had? Was het zijn overleden tante Julia met wie hij altijd ruzie had gehad die naar hem terugkeerde?
Belachelijke ideeën en beelden drongen zich aan hem op en gingen weer weg, totdat de uitputting zijn hersens verdoofde en hij insliep.
Het morgenlicht overtuigde Robert om zachtjes zijn ogen open te knipperen terwijl ze wazig werden. In de linkerhoek van zijn gezichtsveld zag hij echter een sterachtige vorm, groot en dreigend naast hem. Robert dwong zijn ogen zich te concentreren en kneep ze dicht samen tot hij kon zien wat er was. De zonnebloem, daar stond ze, nog groter, vlammender en indrukwekkender dan ooit...
De wilde zonnebloem stond op de een of andere manier naast hem. Hoe ze daar gekomen was, dat vroeg Robert Bruyninckx zich niet eens af. Hem bespotten, plagen, bedreigen, dat was wat ze deed. Waarom stond ze daar? Hoe zou ze daar kunnen geraakt zijn? Voordat Robert een redelijke verklaring kon geven, versplinterde zijn geest van de pijn en van de stress. Zijn mond ging open om een ??afschuwelijke schreeuw van paniek te laten ontsnappen.

 

De dag daarop was buurman Paul Jacobs ongerust. Hij zag bij Robert Bruyninckx niet de minste beweging en hoorde niets van hem. Rond half elf besloot Jacobs het huis van zijn buur te bezoeken. Hij klopte op de deur, maar na een paar herhaalde pogingen zonder antwoord probeerde hij die te openen. Ze was niet op slot, en Jacobs ging naar binnen. Hij riep op zijn buurman en verwittigde hem luidkeels van zijn aanwezigheid, maar hij hoorde niets terug. Daarop doorzocht Jacobs het huis. Waar was zijn buur toch gebleven? Eerst vond Jacobs hem niet, totdat hij de slaapkamer binnenkwam. Hij was als aan de grond genageld, zijn adem stokte plots, alsof zijn keel was doorgesneden. Zijn handen trilden en zweetdruppeltjes gleden langs de zijkant van zijn gezicht.
 

Op het bed zag Paul Jacobs een gruwelijke en nachtmerrieachtige vlek. Ze was donkerrood van kleur, en het bloed dat er gevloeid had was zelfs van het bed gedruppeld en had een plas op de vloer gevormd. Wat er op het bed lag, was dat echt een persoon? Zo zag de vormeloze vleesmassa er zeker niet meer uit... Paul Jacobs bedekte snel zijn mond met zijn handen toen hij een opwelling van braaksel voelde. Hij merkte toen dat de zonnebloem bizar naast het bed stond. Hij ging er traag naartoe, opdat zijn kleine stappen de bloem niet zouden doen schrikken, en bekeek ze nauwkeurig. Het gezicht van de zonnebloem was bespat met de scharlakenrode vloeistof, en versierd met kleine druppels bloed.
Het deed bij Jacobs het bloed in zijn aders stollen. Toch was hij niet te bang om uit te zoeken hoe dit krankzinnige en bloederige tafereel tot stand was gekomen. Hij wierp een blik op de stengel van de bloem en zag dat hij door de Quickstep vloerplanken heen was gegroeid. Onmogelijk, dacht Jacobs. Was dit dezelfde  zonnebloem die Robert Bruyninckx gek maakte? Jacobs herinnerde zich dat zijn buur hem had verteld dat die zonnebloem kon bewegen en uit zichzelf verplaatsen, maar Paul Jacobs kon niet aannemen dat zoiets mogelijk zou zijn.

 

Maar hoe dan ook, na een paar minuten onderzoek van het tafereel en de rest van het huis moest Paul Jacobs tot het besluit komen dat Robert Bruyninckx in bed had gelegen en aan zijn griezelige einde was gekomen door die wilde zonnebloem. Hij verwittigde de autoriteiten. De brandweer kwam het verminkte lijk van Bruyninckx ophalen op het Hollands Veld. Jacobs dacht dat het daarbij voor hem wel zou blijven, maar daarin had hij zich misrekend. Cornelia Bruyninckx was verschrikkelijk bedroefd door het gruwelijke lot dat haar vader te beurt was gevallen. De uitleg die Jacobs haar gegeven had over een dodelijke wilde zonnebloem vond zij nonsens. Zij twijfelde eraan of de buurman zelf niet bij de moord was betrokken, en dat zei ze ook tegen de politiemensen.
 

Bijgevolg werd Paul Jacobs langdurig ondervraagd door de politie. Er was niets dat hij hun kon vertellen. Hoewel zijn geest voortdurend aan de gekmakende en dodelijke zonnebloem dacht kon hij er met geen mogelijkheid tegen de politie over beginnen uit angst dat ze hem voor gek zouden beschouwen.
 

Uiteindelijk kwam de politie tot het inzicht dat Jacobs met de dood van zijn buurman niets te maken had, en ze lieten hem gaan. Hij keerde terug naar huis. Na een lange slapeloze nacht waarin hij probeerde om de angstaanjagende beelden uit zijn hoofd te zetten, sliep hij uiteindelijk toch in. 's Ochtends ging hij naar zijn keuken om koffie voor zichzelf te zetten en probeerde hij zijn normaal dagelijks leven terug op te nemen om te vergeten wat er was gebeurd. Hij ging langzaam zitten, zijn lichaam deed pijn van het gebrek aan nachtrust, maar ook door het zo lang beven van angst. Hij nam een ??slok van zijn koffie en keek toen naar buiten. Zijn kopje viel uit zijn hand en spatte in scherven uiteen op de tegelvloer van de keuken toen Jacobs de brandende drank over zijn broek morste.
 

De mond van Paul Jacobs viel open en zijn lippen trilden. Op de rand van de vensterbank van het keukenraam dat uitkeek op zijn bloemloze tuin zag Jacobs bloemblaadjes met stalen punten uit de duivelse zonnebloem naar hem gluren.

© Bruno Roggen, Anhée, 2021


Submitted: November 18, 2021

© Copyright 2021 impetus. All rights reserved.

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Add Your Comments:


Facebook Comments

More Horror Short Stories

Other Content by impetus

Short Story / Romance

Short Story / Romance

Short Story / Romance