Vuurvliegjes

Reads: 128  | Likes: 1  | Shelves: 0  | Comments: 0

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Status: Finished  |  Genre: Horror  |  House: Booksie Classic

Pat en An willen naar de Ardennen om er gaan te wandelen. Dat komt er niet van, want daarvoor is het een te hete zomerdag. In plaats van de Ardennen wordt hun bestemming de Maasvallei achter Namen...

Vuurvliegjes


door Bruno Roggen


Verwittiging:
 
Alle overeenkomsten met reëel bestaande personen en/of situaties zijn louter toevallig en vallen volledig buiten de wil, het opzet en de verantwoordelijkheid van de auteur.


Pat en zijn lief An dachten eerst dat ze geen betere dag hadden kunnen uitkiezen om naar de Ardennen te rijden. Naargelang ze verder van Limburg wegreden werd het weer almaar beter, en warmer ook. Eens ze in Hannut waren transpireerden ze allebei overvloedig, zelfs met de autoramen open. An had geen airco in haar twaalf jaar oude Ford Fiesta, en eigenlijk had zij zich ook niet op echt warm weer gekleed.
 

“Had ik dat geweten!” zei An tegen Pat. “Nooit had ik gedacht dat er zo grote temperatuurverschillen zouden zijn op die korte afstand…”
 

“Normaal,” lachte Pat, “We rijden naar het zuiden. Daar is het altijd warmer.”
 

“Het lijkt wel zo,” zei An. “Mijn zin om naar de Ardennen te rijden is wel erg bekoeld.”
 

“Dat begrijp ik,” zei Pat. “Het is geen weer om daar bergop bergaf te wandelen zoals we dat gepland hadden.”
 

“Kunnen we iets anders doen?” vroeg An.
 

“Ja, dat kunnen we zeker,” zei Pat. “Willen we naar de Maasvallei rijden? En ergens in de omgeving van Namen of Dinant een plek zoeken waar we kunnen zwemmen en onze tent opslaan?”
 

“Dat gaan we doen!” zei An. “Goed dat ik eraan gedacht heb om mijn bikini mee te brengen.”
 

Eens aan de Maas stopten ze een paar keer om het ideale plekje te vinden om de dag door te brengen. Eenvoudig was dat niet. Het was overal tamelijk druk door het goede weer, en iets vinden waar ze konden zwemmen was ook niet zo simpel. Toch vonden ze uiteindelijk een plek die hun aanstond op de rechteroever van de Maas, tegenover de Îles de Godinne, twee eilanden in de rivier.
 

De dag was heet en vochtig. Voor An en Pat was het er een van luieren en geregeld in het water duiken om afkoeling te vinden. Dat lukte ze aardig. Toen het middag werd aten ze de sandwiches met kaas en hesp op die An bij haar thuis had klaargemaakt, en ze dronken het nog tamelijk koel water van Chaudfontaine dat in hun koelbox zat.
 

“Wat zou je ervan denken om hier onze tent op te slaan en nog één of twee dagen langer te blijven?” vroeg Pat.
 

“Ik ben dadelijk akkoord,” antwoordde An. “Wel geen twee dagen. Voor overmorgen heb ik afgesproken met mijn zus Vie om in Diest te gaan winkelen.”
 

“Goed, één dag langer dan,” zei Pat. “Misschien is dat wel beter zo. Dit weer kan niet blijven duren. Het zal wel uitdraaien op een onweer.”
 

Pat begon hun tent op te slaan, vlak bij het water. Toen hij nog maar net begonnen was kwam er een man naar hem toe. Die identificeerde zich met een pasje. Hij was een plaatselijke ondernemer die tuinen aanlegde en ze onderhield. Het was verboden van in Godinne wild te kamperen, zei hij. De gemeente had hem de opdracht gegeven om daarop toe te zien. Als ze de nacht in een tent wilden doorbrengen moesten ze die opslaan op een officiële camping. Die was er in Godinne, vlak bij de smalle brug over de Maas naar Annevoie-Rouillon.
 

Daar reed An naartoe. Het was enorm druk op die camping. Er waren daar veel Nederlanders met hun luidruchtige kinderen. Geen van twee hadden ze echt zin om daar hun tent op te slaan en de nacht door te brengen.
 

“Wat doen we?” vroeg An. “Blijven we toch maar hier?”
 

Pat dacht even na, en zei toen:
 

“Nee, dat doen we niet. Kom, we zijn weg! We vinden wel ergens iets waar we wild kunnen kamperen en waar niemand ons komt lastig vallen.”
 

Na enig zoeken vonden ze dat rustige plaatsje in Hun. Het lag veel lager dan de weg naar Dinant, als het ware in een soort kloof. Aan het kerkje van Saint-Christophe was er een dichte haag met daarachter een tamelijk grote parking. Daar lieten ze de Fiesta achter en daalden te voet af naar de oever van de Maas, beladen als muilezels.
 

Een perfecter plaatsje hadden ze nog moeilijk kunnen vinden, ook als ze nog langer hadden gezocht. Op minder dan tien meter van het water was het terrein goed vlak, en begroeid met mals gras. Het kostte wel enige moeite om de tentpiketten in de grond te drijven, want die was erg steenachtig. Maar na iets meer dan een half uur stond de tent kant en klaar.
 

De dag was heet en vochtig geweest, maar dit was een van die perfecte zomeravonden die jammer genoeg zo zeldzaam zijn… Het zweet had de hele dag van hen afgedropen, behalve als ze baadden in de Maas. Gelukkig was de zon nu ondergegaan, en daarmee was ook de hitte sterk verminderd. De luchtvochtigheid zakte naar een draaglijk niveau.
 

Overdag hadden ze weinig zin gehad om te eten, en zich tevreden gesteld met de belegde sandwiches die An had meegebracht. Nu maakten ze samen een laat diner. Daarvoor moesten ze wel weer bergop, over het kleine pad van aan de Maas naar de auto boven op de parking voor de bevoorrading. Pat haalde de koelbox uit de koffer van de auto. In Hun was hun avondeten eenvoudig, braadworstjes en repen gezouten spek geregen op barbecuespiezen die Pat had meegebracht. Die roosterden ze boven een open vuur met hout dat An sprokkelde een beetje hogerop onder de bomen. Stukken van een baguette en een fles Côtes du Rhône die ze onderweg gekocht hadden vervolledigden hun maaltijd.

De rook van het vuur, de geur van het bakkende spek en de stilte rondom droegen bij tot de sfeer. De sterren die in de lucht flonkerden zorgden voor een natuurlijk diner bij kaarslicht.
 

Nadat ze gegeten hadden glipten ze nog voor een laatste keer die dag de rivier in om het zout dat het zweet had achtergelaten van hun lichaam af te wassen. Het water was warm vanwege de ondiepe bocht van de rivier achter het kerkje, maar het voelde nog steeds goed koel aan na de hete dag die ze achter de rug hadden.
 

“Ik denk dat we morgen de dag hier moeten doorbrengen,” zei Pat. “Ik heb op mijn telefoon gezocht naar winkels in de omgeving. Om eten te kopen kunnen we naar de kleine Carrefour in Yvoir, naar de Spar in Godinne, of naar de grote Intermarché supermarkt in Anhée. Van honger of dorst gaan we hier niet sterven.”
 

“Dat vind ik een geweldig idee,” zei An, terwijl ze in het water op haar rug dreef.
 

Daarna kwamen ze uit de Maas, lieten zich aan de lucht drogen om het verkoelende effect te vergroten, en keerden terug naar hun kampeerstoeltjes rond het vuur dat aan het uitsterven was.
Pat legde opnieuw takken bij het op vuur en ze zaten daar naar de sterren te kijken. De lucht was helder en meer dan eens vingen ze een glimp op van een ster die uit de lucht viel. Het duurde niet lang of de donkere lucht om hen heen kwam tot leven terwijl ze vuurvliegjes heen en weer zagen fladderen.

 

“God, ik hou van vuurvliegjes,” zei An terwijl ze naar de bliksemende insecten keek. “Zo jammer dat we die in Limburg niet hebben, of toch niet dat ik weet.”
 

“Ik weet het,” zei Pat glimlachend, omdat hij wist dat ze gek was van de vuurvlieg-armband om haar pols. Die had hij voor haar gekocht op haar laatste verjaardag. “Maar we zien ze hier, en tenslotte kan je niet alles hebben. Hier hebben ze vuurvliegjes, in Limburg hebben we nu wolven, en bij mijn weten hebben ze die hier niet, of nog niet…”
 

Die avond kwamen er echter steeds meer van die vliegen opdagen. Ze verzamelden zich in de lucht in een steeds opnieuw oplichtend ballet.
 

"Wauw," zei An, "ik heb er nog nooit zoveel gezien."
 

“Je hebt gelijk,” zei Pat. “Zoveel? Dit is krankzinnig!”
 

De vuurvliegjes dansten en wervelden. Pat en An zagen ze steeds dichter samenkomen als een onweerswolk gemaakt van licht. Het duurde niet lang of ze werden door de insecten omsingeld alsof het een show voor hen alleen was. Eentje kwam dichterbij en An stak haar hand uit naar het kleine gloeiende insect.
 

“Auw!” riep ze.
 

"Wat is er, wat heb je?” vroeg Pat bezorgd.
 

"Die vuurvlieg heeft me verbrand."
 

"Kom nu! Ze steken niet en verbranden zeker geen mensen."
 

“Deze wel,” zei An terwijl ze haar vinger liet zien waar inderdaad een kleine blaar door de aanraking van het insect op zat.
 

"Dat is raar... auw!" schreeuwde Pat toen er een op zijn blote arm landde.
 

Het voelde alsof iemand hem een por gaf met een hete pook.

"Auw… auw… auw!" riepen ze na even gezamenlijk. Ze konden onmogelijk nog blijven zitten aan de Maas. In paniek probeerden ze aan de auto te geraken, maar het was nutteloos. Er was een muur van vurige insecten tussen hen en de parking van Saint-Christophe. Dan probeerden ze in het water bescherming te zoeken, maar hun weg naar de Maas, hoe kort ook, was ook afgesneden.
 

Ze keken vol afschuw toe hoe een insect op een takje landde en in het in vuur stak. Er kwamen er meer en meer op hen terecht. Even later werden Pat en An uit elkaar gehaald toen de beestjes dichterbij kwamen. En dichterbij. En nog dichterbij. Honderden, zoniet duizenden landden op hen. Stuk voor stuk veroorzaakten ze pijnlijke blaren. Ze zagen tot hun ontzetting hoe hun kleren in brand vlogen.

En het laatste wat ze hoorden was elkaars geschreeuw terwijl ze opbrandden achter het kerkje van Saint-Christophe in Hun aan de Maas.

© Bruno Roggen, Anhée, 2021


Submitted: December 15, 2021

© Copyright 2022 impetus. All rights reserved.

  • Facebook
  • Twitter
  • Reddit
  • Pinterest
  • Invite

Add Your Comments:


Facebook Comments

Other Content by impetus

Short Story / Romance

Short Story / Romance

Short Story / Romance