Rock and Roll City

Reads: 251  | Likes: 0  | Shelves: 0  | Comments: 0

More Details
Status: Finished  |  Genre: Fantasy  |  House: Booksie Classic
The beauty of Rock and Roll.

Submitted: October 06, 2015

A A A | A A A

Submitted: October 06, 2015

A A A

A A A


Rock and Roll City

 

 

(een ode aan de rockmuziek)

 

 

Al eeuwen waren er in de Mojave Desert mysterieuze verdwijningen. Ondanks gedegen onderzoek wist men er maar niet achter te komen waar dit vandaan kwam. Er waren zelfs wetenschappers verdwenen die op zoek naar de oorzaak waren. De regering was vastbesloten om dit fenomeen te achterhalen en had een team bestaande uit een aardrijkskundige, een archeoloog en een taalkundige op pad gestuurd om het onderzoek uit te voeren.

Eric, de aardrijkskundige, reed meestal in de Peugeot 206 CC. De temperaturen konden enorm oplopen in de auto, dus een cabriolet was onmisbaar in de woestijn. Het team ging er van uit dat de verwijningen op een speciale plaats moesten plaatsvinden, maar de meest voor de hand liggende plaatsen hadden ze al bezocht. Ze hadden navraag gedaan in de buurt van kliffen, meren, drijfzand en andere plekken waar mensen nu eenmaal konden verdwijnen.

Als aardrijkskundige had Eric de posities op de landkaart aangestipt en Jim, de taalkundige, had meestal met de mensen gesproken, omdat hij alle bekende talen sprak die in de Mojave Desert voorkwamen. Iedere dag spraken ze uitvoerig met de bewoners in de buurt van zo’n positie, maar zonder resultaat. Ze begonnen al enigszins wanhopig te worden, want er waren geen punten meer over die Eric had aangestipt. Als het nu om een paar verdwijningen ging, dan konden ze het best gemist hebben, maar er was sprake van tientallen mensen die in rook op waren gegaan de laatste paar jaar. Het werden er steeds meer. Tot nu toe hadden ze wel wat vage aanwijzingen gehoord, maar die leken vaak meer op bijgeloof gestoeld dan op nuchter verstand.

Russell, de archeoloog, stelde voor om de minder voor de hand liggende plaatsen eens onder de loep te nemen. Calico Ghost Town vond Russell wel in aanmerking komen, met enige humor. Zo ook Kelso en Death Valley Junction. De eenenveertig meter hoge thermometer moesten ze ook op zijn minst checken, vond Russell. Eric merkte nog op dat Las Vegas ook in aanmerking kwam, maar dat om hele andere redenen, doch dit werd met een lachsalvo afgedaan. Toen ook hier bot gevangen werd moesten ze op zoek naar de obscuurdere plaatsen, die niet op mappen stonden. Verlaten plekken, waar bijna nooit iemand kwam en waar je best kon verdwijnen zonder dat iemand wist waar je gebleven was. Feitelijk waren ze nu doelloos rond aan het rijden door afgelegen gebied.

Als het meest logische geen antwoord geeft, dan moet het wel iets exotisch zijn. Gelukkig hadden ze hun radio, waar ze good time oldies draaiden, want het waren behoorlijk saaie dagen. De overheid betaalde echter goed, met een buitensporige beloning als ze er achter kwamen, dus bleven ze zich vastbijten in hun taak tot ze de oorzaak gevonden hadden, desnoods totdat de hel dichtvriest! Ze reden al een tijdje door de bergen, omdat ze zich nog konden herinneren uit hun gesprekken met nogal bijgelovig klinkende mensen, dat hier volgens hen een aantal vermisten rondgereden zouden hebben. De vliegende schotels, ontvoeringen en geesten van overledenen vlogen je om de oren in dat soort uiteenzettingen en ze hadden het eerst niet serieus genomen, maar ze wisten op dit moment niets beters te doen. De weg waar ze nu over reden, als je het er een kon noemen, was niets meer dan een smal paadje door eindeloze bergen en dalen dat nauwelijks nog gebruikt werd, aan de begroeiing te zien. Maat het was wel ooit gemaakt, waarschijnlijk door ruiters die iedere dag deze pas uitsleten op hun tochten, dus het kon ook ergens naartoe leiden. Vasthouden aan strohalmen, maar je moest toch wat. Ze moesten er niet aan denken dat ze een tegenligger op zo’n bergpaadje kregen, maar hier kwam nooit iemand, zo leek het, laat staan een auto.

Eindelijk zagen ze een spoor van leven. In een dal dat welig begroeid was, stroomde een beekje de berg af. Tussen de bomen ontwaarden ze een aantal hutten. Een aantal indianen kwam op het geluid van hun auto en radio af. Eric stopte de auto onmiddellijk en schakelde de radio uit, ze waren nu omringd door een groep van zo’n tien Mojaven. De indianen riepen iets, maar Eric en Russell konden het niet verstaan. Jim, de taalkundige, verstond hen echter wel.

“Uitstappen!” zei hij tegen de twee. Ze stapten uit en wachtten af wat er ging gebeuren.

“We komen in vrede,” zei Jim in Yuman, terwijl hij ook uitstapte. De indianen keken elkaar eens aan en vroegen Jim wat ze kwamen doen.

“We zijn onderzoek aan het doen naar de verdwijningen van mensen. In opdracht van de overheid. Weten jullie hier iets van?” vroeg hij zo vriendelijk mogelijk.

“Mutavilya laat mensen verdwijnen die onze voorvaderen onteren,” zei een van de indianen.

“Wie is Mutavilya?”

“Onze schepper. Bovenop de berg ligt de begraafplaats van onze voorvaderen. Heilige grond. Wie daar naartoe gaat, komt nooit meer terug. Omkeren en wegwezen.”

Jim vertaalde het gesprek in het Engels tegen Russell en Eric.

“Omkeren dan,” zei Russell.

“Vind je dan niet dat we het moeten onderzoeken?” vroeg Eric.

“Denk je dat ze ons zomaar doorlaten?” merkte Jim op.

“Zeg maar dat we omkeren,” zei Eric.

Jim deed het en ze gingen in de auto zitten. Opeens gaf hij plankgas en de indianen stoven uiteen, waarna ze de achtervolging inzetten.

“Ben je gek geworden?” riep Russell.

“Pak dat pistool uit het handschoenenvakje, Jim. Je zou het nog nodig kunnen hebben,” zei Eric. Jim deed het en keek angstig om. De indianen konden de auto natuurlijk niet bijhouden, maar dat gaf hem bepaald geen veilig gevoel. Toen ze driekwart van de berg op waren gaven de indianen de achtervolging op. Russell, die de hele tijd achterom had gekeken, slaakte een zucht van verlichting. Jim zag voor hen nog een bord waarop stond:

‘Wie hier komt, gaat naar Mutavilya.’

“Je kunt nu wel rustiger gaan rijden,” merkte Russell op, maar zijn woorden gingen verloren in een geluid dat klonk alsof iets enorms aan het scheuren was. Een oogverblindende flits volgde en de begraafplaats leek in het niets opgelost te zijn. Ze reden nu op een brede verlaten weg met overal om hen heen eindeloze zandvlakten zonder enige begroeiing. De radio floepte aan en het nummer ‘Road to nowhere’ speelde af.

‘Maybe you wonder where you are

I don’t care

Here is where time is on our side

Take you there, take you there

There’s a city in my mind

Come along and take that ride

And it’s allright, baby, it’s allright

And it’s very far away

But it’s growing day by day

And it’s allright, baby, it’s allright’

Eric stopte de auto. In de verte konden ze een bord langs de weg zien staan.

“Wat is er in godsnaam aan de hand hier?” vroeg hij, terwijl de muziek doorspeelde.

“Dacht je dat ik dat wist?” riep Russell.

“Op dat bord voordat we hier terecht kwamen stond ‘Wie hier komt, gaat naar Mutavilya’ in de Yuma taal,” zei Jim. “Mutavilya is hun schepper. Nou ben ik niet bijgelovig, maar dit ziet niet erg uit als een hemel. Wat ik in ieder geval wel weet is dat dit geen indiaanse begraafplaats op een berg is, dus er moet hier iets heel vreemds aan de hand zijn.”

Eric draaide de knop om van de radio, maar die bleef gewoon hetzelfde nummer spelen en begon net opnieuw.

“Wat gaan we verdomme nu krijgen?” vloekte hij.

‘Well we know where we’re going, but we don’t know where we’ve been’.

Het is net omgekeerd, dacht Jim. Ze keken nog eens goed rond en hun oog viel weer op dat bord langs de weg. Achter hen lag een eindeloze weg met die zandvlakten ernaast tot aan de horizon. Geen prettig vooruitzicht. Geen zijwegen te zien.

“Wat moeten we nu doen?” vroeg Russell.

“Nou, als je het mij vraagt kunnen we maar één kant op,” zei Jim, “achter ons een eindeloze weg die naar niets lijkt te gaan en voor ons een bord waar iets op staat, toepasselijk nummer trouwens.”

“Vort met de geit. Laten we kijken wat er op staat en ons hoofd erbij proberen te houden, hoewel ik het nu al een beetje lijk te verliezen,” zei Eric.

“Wie niet, man!” beaamde Russell.

Eric startte de auto en ze reden vooruit, onder begeleiding van hetzelfde nummer.

‘Give us time to work it out’.

Eric stopte weer bij het bord, waarop stond:

‘Rock an Roll City, population 0’

Aan de overkant zagen ze nu ook een bord staan in de andere richting. Hier stond op:

‘Road to nowhere

Rock and Roll City, 25.000 miles’

Eric fronste zijn wenkbrauwen en zag dat hij niet de enige was. Hij pakte de landkaart erbij en keek of dat op de map stond. Dat was natuurlijk niet zo, maar hij moest dat toch op zijn minst checken? Hij probeerde alleen maar na te blijven denken om te voorkomen dat hij de weg volledig kwijt raakte.

“Het staat niet op de map, jongens.”

“Had je dat verwacht dan?” vroeg Jim.

“Ik moest het wel even checken.”

“Natuurlijk. Voor het geval dat.”

‘We’re on the road to paradise’.

Nou, laten we dat hopen.

“Op naar het paradijs,” grinnikte Jim, die zijn weg vaak met humor vond. Toen ze langs de naam van de stad reden speelde de radio opeens een ander nummer:

‘Hotel California’.

Eric probeerde de radio nog eens uit te krijgen, maar ook nu lukte het weer niet. Het eerste wat ze hoorden was:

‘You can check out any time you like, but you can never leave’.

De rillingen liepen hen over de rug bij die woorden, maar niemand zei iets. Aan de rechterkant doemde een enorm gebouw op, waar in grote letters ‘Hotel California’ op stond. De woorden ‘you can never leave’ kwamen weer in Jim’s gedachten op, maar of dat nu sloeg op dit hotel of de plaats waar ze nu waren wist hij niet. Onder de naam stond nog ‘Your destiny’.

Ze zagen niemand rondlopen en besloten maar eens wat rond te rijden. De stad zag er eigenlijk verder niet zo bijzonder uit, buiten dat alle huizen alleenstaand waren en er hetzelfde uitzagen. In het midden was een kruispunt. Naar links en rechts konden ze nog zien dat de andere straat op eenzelfde manier ingedeeld was. Op het naambordje van de straat stond ‘main street’, maar dat was ook de straatnaam van de dwarsliggende straat. Na alles wat ze gezien hadden, verwonderde hen dat allerminst. Ze dachten niet meer in termen van vreemd of opzienbarend. Ze namen het zoals het kwam. Ze reden tot het einde van de stad en zagen weer het bordje

‘Road to nowhere

Rock and Roll City, 25.000 miles’

en aan de overkant weer

‘Rock and Roll City, population 0’.

“Ik geloof dat ik in de gaten heb hoe de vork in de steel zit hier,” zei Eric.

“Ja, maar we moeten het wel nog even uitproberen,” vond Jim, “rijd maar even langs die borden.”

Ze reden een stukje tot voorbij de borden en jawel hoor. ‘We’re on the road to nowhere, come on inside’.

“Keren.”

Ze draaiden om en de laatste zinnen van het lied kwamen weer voorbij: ‘You can check out any time you like, but you can never leave’.

Ze reden terug naar de kruising, reden naar het einde van de ene en de andere kant van de dwarsliggende straat en zagen dat dezelfde bordjes aan het einde van de straat stonden. Als ze erlangs reden, hetzelfde, die nummers weer.

“Ik geloof dat we de oorzaak van de verdwijningen gevonden hebben,” zei Jim, “zullen we de regering dan maar bellen?” grapte hij.

“Ja, kijk eens of je bereik hebt op je telefoon!” zei Eric, die weer enige hoop kreeg.

“Overbodig, maar ik zal het even checken.” Jim pakte zijn mobieltje uit zijn zak en zag natuurlijk ‘geen bereik’.

“Shit,” zei Eric.

“Wat nu?” vroeg Russell, die inmiddels heel wat stiller geworden was. Hij was in een soort verdwazing gekomen en kreeg het allemaal niet meer zo goed mee. Misschien wilde hij dat ook wel niet.

“Tsja, dat is een goede vraag,” zei Jim, “volgens mij zitten we hier in een soort loop, waar alle wegen naar Rock and Roll City leiden en er geen weg uit is. Zullen we nog eens naar dat grote hotel rijden? Ik wil het nog eens zien.”

Toen ze er voor stonden keek Jim nog eens goed. ‘Your destiny’, hmmm. Uiteindelijk moeten we hier dus heen, volgens het opschrift. Toch vond hij het allesbehalve uitnodigend klinken.

“Wie vindt dat we hier naar binnen moeten gaan?” vroeg hij.

“Ik weet het niet, man, your destiny klinkt mij behoorlijk definitief en afschrikwekkend in de oren op de een of andere manier,” zei Eric.

“Ik ben met je wat dat betreft,” gaf Russell toe.

“Ik vind het ook niet goed klinken,” zei Jim, “laten we eens in een ander huis kijken wat daar is.”

Ze stapten uit de auto en liepen naar het huis dat naast het hotel stond. Ze keken naar binnen, maar zagen niets bijzonders, gewoon een paar stoelen, een bank, een tafel, een inrichting zoals in zowat elke woning. Ze voelden aan de deur en merkten dat die niet gesloten was. Jim trok hem open en ze gingen naar binnen. De deur ging vanzelf weer dicht, zoals je dat bij horrorfilms altijd ziet en het gaf ze inderdaad een spooky gevoel. Met een klap viel hij in het slot. Op het moment dat hij helemaal dicht was, begon er muziek te spelen.

De omgeving veranderde niet door hun ogen, maar inhun ogen. Het interieur bleef hetzelfde, maar toch ook weer niet. Het verdween gewoon naar de achtergrond tot het niet meer opviel. Ze zagen het nummer Avalon van Roxy Music, alsof er een innerlijke videorecorder afspeelde. Ieder van hen kreeg hun persoonlijke videoclip, waarbij de beelden hun innerlijke weergave van het nummer toonden. De muziek speelde niet in hun oren, maar in het hart. Ze voelden de intentie van het nummer van hun huid afspatten, ze kregen er gewoon kippevel van. Al hun zintuigen stonden op scherp, ze proefden de zachtheid van het nummer en de stijl, alsof ze een heerlijke maaltijd aan het eten waren. Hun brein stond stil om de zintuigen overweldigd te laten worden. Niemand verroerde een vin. In extase bleven ze tot de laatste noot luisteren. Toen het nummer voorbij was stonden ze als aan de grond genageld voor zich uit te kijken. De omgeving werd weer wat het was toen ze binnenkwamen. Langzaam verviel hun ervaring tot ze weer in de ‘werkelijkheid’ terug waren.

“Wauw, wat was dat?” riep Eric opeens.

“Zeg dat, wauw! Heb je ooit naar zo’n goede muziek geluisterd? Ik heb dat nummer wel eens gehoord, maar ik wist niet dat het zó goed was! Heb je ooit wel eens stuff of wiet gebruikt en dan naar muziek geluisterd zonder ook maar iets anders te doen? En dan bedoel ik geen computermuziek. Liggend op bed met je ogen dicht of zo. Zoiets was het, maar dan nog veel intenser! Wat vond jij ervan, Russ?” vroeg Jim.

Russell leek verzonken in zichzelf. Eric stootte hem aan.

“Hee, ben je aan het pitten?”

“Oh, sorry, ik ben gewoon onder de indruk.”

“Geeft niks joh. Dat hebben we allemaal. Zullen we de rest van het huis eens bekijken?”

Ze liepen door het huis heen maar konden er verder niet veel bijzonders ontdekken. Gewoon een woning met meubels die in een normale inrichting horen, hoewel het onbewoond leek. Het bed was opgemaakt in de slaapkamers, de badkamer was zoals iedere andere met uitzondering dan van het feit dat er geen aanslag was van water, kalk of wat dan ook dat op bewoning wees. Ook de WC was compleet schoon. De koelkast was wel gevuld met de reguliere zaken als melk, eieren, boter en broodbeleg. De diepvries stond vol met vlees, er was een wijnrek waarin ook sterke drank stond. Bier was aanwezig en brood. Zo’n beetje alle voedingsmiddelen die iedereen in huis heeft waren aanwezig, maar er was nergens een vlekje of spatje te vinden.

“Volgens mij woont hier niemand,” zei Jim.

“Ziet er niet naar uit,” vond Eric.

“Laten we maar vertrekken, goed?”

“Oké, let’s.”

Toen ze buiten stonden wisten ze nog niet wat ze hier nu moesten doen, maar ze hadden eigenlijk niet veel keus. 25.000 mijl rijden, your destiny Hotel California, of het volgende huis. Die twee woordjes, ‘your destiny’, zaten hen gewoon niet lekker en een dagje of dertig rijden om 25.000 mijl te overbruggen leek ze ook niet erg aanlokkelijk. Als het bord klopte zouden ze sowieso uitkomen waar ze nu waren. Het volgende huis dan maar.

Alles aan het huis was precies hetzelfde, het paadje ernaartoe, de inrichting, echt alles! Dat was op zich al een prestatie. Het gaf het onwerkelijke gevoel nog een extra zetje. Bij binnenkomst sloot de deur zich af en toen Eric probeerde hem meteen weer open te doen ging dat niet. Hij vond dat hij, als wetenschapper, toch de hele zaak moest onderzoeken. Deze keer werden ze bestookt met het nummer Paranoid van Black Sabbath. Ook dit keer zagen ze het nummer met al hun zintuigen, maar mijn god, wat een verschil! Ze voelden zich totaal verloren en eenzaam, ongelukkig. De gedachten flitsten door hun hoofd in een onmetelijk tempo, maar er was niet één vrolijke gedachte bij. De wanhoop schoot door hun lichaam heen en ze wisten niet hoe snel ze weg moesten komen toen het nummer voorbij was.

“Ik geloof dat ik even niet goed word,” zei Jim.

“Wat een intens gevoel, maar dan niet op een lekkere manier!” riep Eric. Russell stond er weer als een zoutzak bij en ze lieten hem maar. Hij was wat langzamer in het verwerken van alles wat ze tot nu toe hadden meegemaakt, begrepen ze. Ze liepen een beetje argwanend naar het volgende huis, gezien hun laatste ervaring.

Na het sluiten van de deur kwam Goodnight Saigon van Billy Joel heel langzaam opzetten. Ze konden de angst en de adrenaline gewoon voelen opkomen bij het geluid van die helicopters. En dan die stem die je door merg en been ging. De wanhoop en het geloof. En vooral de broederschap en het gevoel van onderlinge afhankelijkheid. Al die tegenstrijdigheden werd op hen afgevuurd in hun persoonlijke videoclip en toen het afgelopen was wisten ze niet goed wat nu de overhand had. Het had een soort mooie melancholie die maar bleef doorzingen in hun hart. Deze keer wist niemand wat te zeggen. Ze stonden maar wat voor zich uit te kijken.

“Ik wil weten hoe het hier werkt,” zei Jim eindelijk, “laten we het hier eens onderzoeken en dan het eerste huis nog eens binnengaan.”

Ze liepen het hele huis door en kwamen er achter dat alle huizen waarschijnlijk precies eender uitzagen, inclusief inhoud van de koelkast en dergelijke. Toch waren ze nog wat terughoudend ten aanzien van eten en drinken, hoewel ze beseften dat ze dat uiteindelijk toch wel moesten doen. Ze liepen nog eens terug naar het eerste huis om te kijken of je iedere keer hetzelfde voorgeschoteld kreeg. Er werd weer Avalon gespeeld en ze voelden weer die extase door de zachtheid en de stijl van het nummer. Toen ze buitenkwamen pakte Jim een marker uit de auto en schreef op de brievenbus voor de huizen ‘het nummer van het huis’ en een plusje of een minnetje. Het was hem inmiddels wel duidelijk hoe het werkte. Je hele lijf overstroomde met de gevoelens die in het nummer waren gelegd en sommige daarvan wilde je niet per sé nog eens zo intens beleven.

De avond begon inmiddels te vallen en ze kregen daar het gevoel bij, dat er tenminste iets normaal was in deze stad, voor zover je daar van kon spreken. Voor hetzelfde geld bleef het hier altijd dag. Ze spraken af nog één huis binnen te gaan en het dan op een zuipen te zetten. Als ze dan toch gestrand waren, maakte het allemaal niet zoveel meer uit. Enige verdoving konden ze wel gebruiken, want ze waren feitelijk in shock.

Toen de deur zich sloot begon het nummer The river van Bruce Springsteen. Die mondharmonica sneed al direct door je ziel. Dan die rauwe stem die zo’n gevoelig nummer ten gehore gaf. Het was alsof een bulldozer over je heen reed om je leven te vermorzelen in een onontkoombaar lot. De machteloosheid die je dromen ieder jaar kleiner deed lijken, waarna je het leven in steeds grotere apathie beleefde, hoe waar was dat niet in het leven dat je ooit gekend had? Het leven was een machine die door onzichtbare handen bediend werd, ook al dacht je het zelf in de hand te hebben. Deze gedachten stroomden als een soort van telepathie door je lijf, zonder je brein aan te raken. Het was moeilijk te omschrijven, alsof het gevoel in het nummer precies zo binnen kwam als de artiest je wilde laten voelen. De tranen stroomden over hun wangen en ze voelden zich uitgeput, alsof hun laatste brokje weerstand in rook opging. Ze lieten zich gewoon gaan, ze konden niet anders. Niet dat ze het erg vonden, ze genoten met volle teugen, maar ze voelden dat zij niet degenen waren die de controle hadden. Wellicht was dat ook juist de bedoeling hier. Ze wisten het allemaal niet meer en het maakte ook niets meer uit. Niet op dit moment.

“Bier!” zei Eric, terwijl hij zijn tranen afveegde.

“Hier!” riep Jim. Russell maakte een gebaar van laat maar komen. De schemering gaf de sfeer wat extra cachet en ze dronken een biertje met een paar flinke stukken kaas, nadat ze gecheckt hadden of het nog wel allemaal onbedorven was. Bij de tweede ronde viel Eric iets raars op. Hij had drie bier uit de ijskast gehaald, maar nu hij terugkwam stonden er weer net zoveel biertjes als eerst. Ook de kaas was aangevuld, hoewel ze toch niemand in de buurt van de ijskast hadden gezien. Nou ja, dat kon er ook nog wel bij. Hij gooide de lege blikjes in de prullenbak en kwam terug met het bier.

“Blijkbaar hebben we een eeuwige voorraad, want er blijft altijd evenveel bier in de ijskast staan,” zei hij tegen de twee.

“Bedoel je dat die drie blikjes weer aangevuld zijn?” vroeg Jim.

“Je zegt het.”

“Hmmm. Vreemd. Laten we niet meer proberen de zaken op een logische manier te beredeneren, ik geloof dat dat hier zinloos is.”

Russell was volledig verdwenen op de achtergrond. Hij zal wel loskomen na een biertje of wat, dacht Jim, hoewel hij daar niet helemaal zeker van was. Russell keek ongelovig voor zich uit, eindeloos zijn blik richtend op hetzelfde punt. Jim ging de volgende ronde halen en toen hij de blikjes in de prullenbak gooide zag hij dat die weer leeg was. Als dat zo werkte in die andere wereld waren we zo van onze milieuproblemen af, dacht hij met zijn humor die hij nooit verloor. Dat had hem door het leven gesleept. Hij twijfelde of hij er iets van zou zeggen, maar Eric zou er vanzelf wel achter komen en hij geloofde niet dat het Russell ook maar een bal interesseerde.

“Wat denk je dat er nu precies aan de hand is hier?” vroeg Jim aan Eric.

“Ik denk dat we bij die indiaanse begraafplaats in een andere dimensie terecht zijn gekomen. Dit ziet er uit als een wereld waar je niet meer uitkomt, die huizen zijn allemaal hetzelfde, denk ik. Wat er in Hotel California aan de hand is, weet ik niet, maar voorlopig wil ik daar toch nog niet naartoe. Ik vind dat we eerst de hele stad moeten onderzoeken, voordat we ook maar een stap in dat hotel zetten.”

Jim keek eens naar Russell en toen hij geen blijk van deelname aan het gesprek gaf ging hij dan maar in op Eric’s woorden zonder nog op hem te wachten.

“Daar ben ik het mee eens. Geen hotel voorlopig. Eigenlijk ben ik het met je hele betoog eens. Ik zie niet in hoe we anders hier terecht kwamen. Er moet een soort scheur in de vier dimensies zijn daar op die begraafplaats. De vraag is echter: waar is iedereen? Als dat de plaats van de verdwijningen is, waar zijn ze dan gebleven?”

“Ik ben er bijna zeker van dat ze in dat hotel zitten, hoewel population 0 daar niet mee strookt. Je ziet hoe die huizen er uitzien. Allemaal eender. Niemand op straat of in de huizen. Of denk je dat ze allemaal op de Road to nowhere zitten?”

“Zeer zeker niet. Ik denk dat je gelijk hebt, maar toch lijkt het me dat wij, als goede onderzoekers, eerst de hele stad verkend moeten hebben voor we daar naar binnen gaan. Het kan dat we daar weer terug kunnen naar onze realiteit, maar ook dat we daar nooit meer weg kunnen. ‘You can check out any time you like, but you can never leave’ en ‘your destiny’. Dat klinkt gewoon te definitief.”

“Oké, we gaan morgen verder met ons onderzoek. Vandaag drinken we ons er nog een paar en dan vroeg naar bed. Ik denk dat we vandaag wel genoeg beleefd hebben.”

“Akkoord.”

Ze dronken nog een paar biertjes en aten nog wat, waarna ze zich moe op het bed stortten. Ze vielen als blokken in slaap en droomden allemaal van het ‘Hotel California’, waarbij ieder van hen een andere invulling gaf aan zijn ‘destiny’.

De volgende morgen stonden Jim en Eric op, maar Russell bleef liggen. Toen ze opstonden zagen ze het bed zich vanzelf opmaken. Alsof ze er niet in geslapen hadden. Erg verwonderd waren ze daar niet over. Ze maakten ontbijt en vroegen Russell of hij ook wilde, maar hij was nog steeds in zijn ‘ik wil dit niet geloven’ staat. Hij bleef gewoon in bed liggen.

“Ik geloof niet dat we veel missen,” zei Eric, toen de twee in de keuken stonden.

“Helaas niet. Het is zoals het is. Ik wil vandaag zo veel mogelijk huizen markeren. Mee eens?”

“Wat anders?”

Ze aten verder zonder te praten en toen ze genoeg hadden liepen ze ‘The river house’ uit. De auto stond al te bakken in de zon aan hun linkerkant. Het leek wel een woestijn hier, zo warm was het! De volgende dan maar.

De deur klapte dicht en het nummer ‘Once upon a time in the west’ schalde uit hun zintuigen. Een muziekinstallatie was nergens aanwezig. De mondharmonica sneed door hun lijf en de overweldigende haat die je voor iemand kunt voelen greep hen bij hun strot. Hoe gemeen mensen kunnen zijn. Het hele duel speelde zich af in hun innerlijk en het gevoel van rechtvaardigheid stroomde door hen heen. Het ene moment waren ze woest, het andere voelden ze vrede. Het weten dat je gaat winnen van je levenslange rivaal. Niets dat nog een plaats in je leven heeft, alleen maar dat. Ze kenden die gevoelens maar al te goed, maar zo sterk als nu hadden ze het nog nooit gevoeld.

“Ik ken er wel een paar met wie ik een klein duelletje zou willen uitvechten, maar om ze nu gelijk overhoop te schieten gaat ook wel weer wat ver,” zei Jim toen de stilte gevallen was.

“Ik denk dat iedereen van die figuren kent, die je het bloed onder de nagels vandaan kunnen halen, mijn lijstje is net nog langsgekomen tijdens dat nummer,” zei Eric.

“Bij jou ook? Grappig hoe het hier werkt!”

“Verder maar?”

“Yup…”

Ze liepen de hele straat af, huis voor huis, tot aan de splitsing en kregen het ene na het andere topnummer voorgeschoteld. Hun favoriet in dit gedeelte was Comfortably numb van Pink Floyd. Er zijn maar weinig bands die zoiets kunnen produceren, vond Jim. Hoe ze het gevoel van depressie noot voor noot kunnen laten uitmonden in een ongelooflijke vlaag van woede over alles wat gebeurd is en waarin je het uitschreeuwt van frustratie in een gierende explosie die tot uiting komt in de finale solo. De twee brulden een soort van oerkreet die een minuut nadat het nummer was afgelopen nog voortduurde. Beschaamd keken ze elkaar daarna aan, maar toch voelden ze het soort opluchting dat je hebt als je een flinke huilbui hebt gehad of als je je woede de vrije loop hebt gelaten. De twee werden in plaats van collega’s vrienden hier en dat had alles te maken met de muziek. Als je sommige emoties samen hebt meegemaakt vergeet je dat niet zo snel. Jim zette twee plussen bij dat nummer, maar ze zouden zich desondanks niet zo snel meer hier vertonen, daarvoor waren de emoties die je daar voelde gewoon te sterk.

Tegen het middaguur gingen ze weer terug naar het huis waar ze Russell achter hadden gelaten om even wat te eten en drinken. Jim had de koffie aangezet en was al eieren aan het koken toen Eric weer naar beneden kwam.

“Jim, Russell is weg.”

Jim dacht even na. Hij zette de eieren op een laag pitje en liep de keuken uit.

“Kom, we gaan hem zoeken.”

Ze zochten het hele huis af, maar Russell was nergens te vinden.

“Heb je hem ook niet gezien toen we uit een huis kwamen?” vroeg Jim.

“Ik niet, nee.”

“Hij zal vast niet op de road to nowhere zitten, de auto staat er nog.”

“Ik denk dat er niets anders op zit dan te wachten tot hij verschijnt. Misschien zit hij wel in dat hotel en kan hij er niet meer uit.”

“Misschien wel, ja. Laten we vanavond in ieder geval weer terug hier naartoe komen, het zou kunnen dat hij er dan gewoon is of dat hij terugkomt.”

Na de middagmaaltijd gingen ze rechtsaf om het tweede gedeelte te verkennen. Tegen de avond stond er een plus of min op iedere brievenbus samen met de titel van het nummer, Private investigations van The Dire Straits kreeg twee plusjes. Ze hadden nu eenvierde van de stad verkend en waren doodop. Als je naar muziek luistert met al je zintuigen is dat heel vermoeiend, zeker in de situatie waarin die twee zich bevonden. Bij terugkomst in ‘The river house’ was Russell nog steeds weg. Ze besloten om de volgende dag de auto in het midden van de stad op straat te zetten en in de open lucht te slapen. Het leek er niet erg op, dat het hier ooit regende want het weer bleef totaal stabiel de hele dag. ’s Avonds koelde het af tot een graad of twintig en dat bleef zo tot de volgende morgen, tenminste zo leek het. Na twaalf uur werd het over de dertig en er was geen wolkje aan de lucht te zien. Er was niets geleidelijks aan, het ene moment was het twintig graden, het volgende over de dertig. Gewoon het volgende vreemde feit hier.

De volgende dag hadden ze nog twee halve straten verkend en de helft van de stad was nu bekend terrein. Ze waren gaan slapen in de auto, maar Russell was nog steeds niet gespot. Ze gingen er nu van uit dat hij inderdaad zijn destiny gevonden had en dat zij daar misschien ook wel niet ver vanaf waren. Op dag drie waren ze het derde kwart binnengelopen en op de vierde dag kwamen ze er achter dat er toch nog iets anders was in deze stad. Aan de overkant van het ‘Hotel California’ werd je met een volledige LP beloond als je er binnenging, onder andere de Joshua Tree van U2, die Eric dan weer heel toepasselijk vond, omdat in de Mojave Desert veel yucca’s groeien. Jim vond het een ‘blast from the past’ en sprak dat ook zo uit als Jimi Hendrix met een poging to humor. Eric leek zijn humor ook verloren te hebben want hij reageerde nogal grimmig. De LP met twee plusjes hier was Sticky Fingers van The Rolling Stones.

Ze maakten nu een plattegrond van de stad, die ze altijd meenamen in de auto, die zo te zien nooit zonder benzine kwam te zitten, want de tank bleef even vol. Ze maakten een kruis op papier, zetten er X1 en Y1 enzovoorts op en schreven er onder welke nummers en langspeelplaten daar te vinden waren. Ze wisten echter nog steeds niet wat hen nu te doen stond. Uiteindelijk, na een aantal dagen dubben, besloten ze om ‘The road to nowhere’ op te rijden.

Alles bleef bij hetzelfde, dus ook dit. Het nummer begon te spelen zodra ze de stad verlieten. Ze reden een uurtje en toen het nummer voor de vijftiende keer begon te spelen pakte Jim het pistool uit het handschoenenvakje en sloeg er mee tegen de radio. Het had geen effect. Hij schoot er toen doorheen en de radio verbrijzelde totaal, maar het nummer bleef nóg doorspelen.

“Ben je helemaal besodemieterd? Dadelijk raak je me nog!” riep Eric.

“Nou, dat is niet gebeurd, maar ik word wel gek van dat nummer! Ik kan dat echt niet een paar dagen of weken achter elkaar aanhoren en dat zou best wel eens de tijd kunnen zijn die we nodig hebben om uiteindelijk weer op dezelfde plaats aan te komen. 25.000 miles is 42.000 kilometer, oftewel de omtrek van de aarde. Volgens mij is dit een parallel universum met dezelfde afmetingen maar met een andere inhoud. Ik denk dat het zo zit en als je nog een paar uur doorrijdt met dat nummer op de achtergrond geloof ik dat je me geestelijk op kunt vegen.”

“Goed, goed, dat nummer irriteert me ook al enigszins en ik vind het een zinnig idee. Wegwezen hier!”

Ze draaiden om en zagen nu iets anders op het bord staan:

‘Rock and Roll City, population 1’.

‘You can check out any time, but you can never leave’.

Ze parkeerden de auto in het midden.

“Wat nu?” voeg Eric.

“Ik weet het ook niet. We kunnen nog een tijdje hier in de stad blijven, maar ik denk dat we uiteindelijk er wel aan moeten geloven. Hotel California, of we het nu willen of niet. Aan die population 1 te zien zit Russell daar.”

Ze bleven nog een paar dagen in de stad en genoten van de beste nummers en LP’s die de stad te bieden had, toen ze merkten dat er werkelijk niets veranderde vertrokken ze richting Hotel California.

“Wat een joekel, he?” vond Jim.

“Ik heb hier een slecht gevoel over,” zei Eric.

“Dat had ik ook al toen we de hele stad verkend hadden. En toen we aankwamen. En daartussenin. Nou, beste kerel, het was fijn om je gekend te hebben.”

Jim stak zijn hand uit naar Eric, maar die liep er langs en omhelsde hem.

“Kerel, ik hoop dat dit het einde niet is, maar als het dat wel is, dan nemen we afscheid als vrienden.”

Jim liep naar voren en greep de deurklink. Hij duwde voorzichtig tegen de deur en deze gaf mee naar binnen. Hij ging het gebouw binnen met Eric in zijn kielzog. Een man stond bij de deur, alsof hij daar altijd al gestaan had. Alleen de spinnenwebben ontbraken. De man stak zijn hand uit en Jim nam hem aan. Buiten verdwenen hun auto en hun opschriften op de brievenbussen in het niets toen de deur dichtviel. De stad was weer zoals voor ze hem hadden leren kennen.

“Potetsjitsje, aangenaam.”

“Jim.”

Eric stelde zich ook voor. Potetsjitsje zei iets in zijn taal dat Eric niet kon verstaan.

De man zweeg verder en keek weer voor zich. Eric keek Jim eens aan.

“Wat zei die kerel?”

“Dat we wel naar binnen kunnen, maar niet naar buiten. Ook goedenavond,” zei Jim nog tegen Potetsjitsje en Eric moest ondanks alles lachen. Eric greep naar de deurklink, maar werd tegengehouden. De man wees op een deur en duwde ze in die richting. Jim haalde zijn schouders op en liep er naartoe. Hij maakte de deur open en er stond weer iemand achter, alsof ze op hen gewacht hadden. Toen ze beiden binnenkwamen hoorden ze een bel gaan en stelde de man zich voor, terwijl Hotel California vanaf het begin werd afgespeeld toen de deur dicht ging.

“Hallo, ik ben Captain Beefheart, jullie barman. Kom binnen en drink er een van me, het is van het huis!” en hij liet voor de eerste keer zijn pretoogjes zien.

Aan de overkant van de ruimte zagen ze twee ongelooflijk mooie vrouwen te voorschijn komen die naar hen wenkten, ze liepen met de Captain mee en de dames kwamen naar hen toe en pakten de twee bij de arm. Ze werden begeleid naar een grote open ruimte, waar niemand was. Zo te zien de lobby van het hotel. Captain liep hen voor en ze volgden hem naar de bar. De dames gingen naast hen zitten en Captain vroeg:

“Wat zal het zijn, heren?”

“Hebben jullie wijn?”

“Dat hebben we al niet meer sinds 1969, sir,” zei de Captain en hij bulderde van het lachen.

“Is er toen iets gebeurd dan?” vroeg Eric.

“Jullie snappen het nog steeds niet, he? Dat komt nog wel,” en hij gaf hen een vriendelijk knipoogje.

“Geef ons dan maar een bier.”

Captain zette hen er een voor en ze moesten toegeven dat ze nog nooit bier gedronken hadden dat zo goed smaakte. Ze dronken de ene na de andere en werden inmiddels al wat tipsy. Ondertussen werd het ene na het andere rocknummer ten gehore gebracht, dat hen weer een sterke sensatie opleverde, hoewel dat hier minder sterk was dan buiten in Rock and Roll City. Hier was gewoon meer afleiding. De dames zeiden geen woord, ze hingen met een soort van verliefde blik aan hun schouders, maar of dat spel was of niet, daar kwamen ze voorlopig nog niet achter.

“De huisregels:” zei Captain opeens, “je mag hier werkelijk alles doen wat je wilt, behalve slechte muziek draaien, daarvoor word je naar de hel gestuurd!” en hij bulderde weer van het lachen.

“Kun je dan muziek draaien hier?” vroeg Jim.

“Aan de overkant staat een muziekinstallatie en die speelt automatisch af, maar je mag zelf ook een nummer opzetten, welke je maar wilt. Als je verkeerd kiest, dan moeten we je laten gaan, helaas, meneer,” en Captain keek of hij het werkelijk spijtig zou vinden. Ze begonnen de kerel al te mogen. Ze keken om en zagen daar een enorme muziekmachine die de hele wand vulde.

“Wat is dan slechte muziek, volgens u?” vroeg Eric.

“Tsja, als u dat niet weet, bent u ver van huis, meneer, als u mij mijn voortvarendheid zou kunnen vergeven,” en hij gaf Eric een meewarige blik.

“Wij zijn ook ver van huis!” riep Jim.

Captain zei niets, hij knikte alleen even en keek begrijpend voor zich. Jim keek ook voor zich uit en had opeens een ingeving.

“Zeg, waar is iedereen eigenlijk? Het moet hier stikken van de mensen als ik het hier allemaal een beetje begin te begrijpen.”

“Dat begint u, meneer, ik moet u helaas mededelen dat ze allemaal naar de hel zijn, behalve een zekere Russell, die een paar dagen geleden hier aangekomen is,” en hij keek wat triest naar de grond.

“Russell!” schreeuwde Jim en keek enthousiast naar Eric.

“Waar is Russell nu?”

“Hij is naar boven met een schone dame. Het lijkt mij, dat u wel weet wat hij waarschijnlijk aan het doen is, meneer.”

“Bedankt voor het bier.”

Jim schoot uit zijn stoel en liep naar boven. Eric volgde en de twee dames kwamen daar achteraan. Ze liepen de trap op en schrokken van wat ze daar aantroffen. Er waren maar drie kamers. Dat stond in geen verhouding met de rest van het hotel, want de lobby leek gemaakt voor een hotel met enorm veel gasten. Van buiten leek het hotel veel groter dan van binnen. Op de eerste deur stond ‘Russell Miles’ en Jim klopte aan. Ze hoorden wat gestommel en Russell stond even later met een verdwaasde blik in een badjas in de deuropening. Hij leek wel twintig jaar jonger geworden. Maar dat vond Russell ook van Jim en Eric, dat hij er zelf jonger uitzag had hij al lang in een spiegel gezien.

“Ik dacht wel dat je hier was! Goed om je weer te zien man!” zei Jim en hij omhelsde Russell.

“Hey,” zei Russell zonder veel enthousiasme en Jim keek hem eens goed aan.

“Mogen we binnenkomen?” vroeg Eric toen hij hem een hand had gegeven.

“Tuurlijk joh,” zei Russell met zijn eeuwige bravoure en opende de deur terwijl hij naar binnen liep en op het bed ging zitten naast nog zo’n plaatje van een vrouw. Ze raadden inderdaad al snel wat zich hier afgespeeld had, want de vrouw had ook al niet veel aan. Ze roken een geur die ze niet gelijk konden thuisbrengen. De dames waren hen ook nu weer gevolgd en Jim stuurde ze weg.

“Wij willen even een persoonlijk gesprek voeren, kan dat?”

De dames verdwenen zonder iets te zeggen. Russell liet zijn schatje gewoon liggen en kroop zelfs bij haar in bed.

“Wat is die geur toch?” vroeg Eric.

“Oh, dat is heroïne, willen jullie ook wat?” zei Russell en hij liet hen een zakje zien en bood hen zilverpapier aan.

“Ben je aan de drugs? Je hebt me ooit gezegd dat je zoiets nooit zou doen, kerel.” Russell maakte een afwerend gebaar.

“Ziet deze wereld er uit alsof het ook maar iets uitmaakt? Ik heb nog geprobeerd naar buiten te komen, maar die kerel met die rare naam laat me er niet uit. Andere uitgangen zijn er niet. Nu ik weet dat ik hier nooit meer vandaan kom neem ik het er gewoon van, waarom niet? Zo slecht is het toch ook allemaal niet? Sex and drugs and Rock and Roll! Vandaag heroïnedag, morgen cokedag, haha,” maar zijn ogen lachten niet mee. Het waren de woorden van iemand die de moed opgegeven had.

“Toen we weggingen uit dat huis, ben je toen gelijk hier naartoe gegaan?” vroeg Jim.

“Die morgen, ja. Ik wilde weten wat hier was, maar ik kon er niet meer uit. Ik heb me de hele dag rot gevoeld, maar wat kon ik doen?”

Jim en Eric begonnen te beseffen waar ze terecht gekomen waren. Ze vroegen zich af of dit de hemel was of de hel.

“Ik geloof dat je je hier wel amuseert zonder ons, Russell,” zei Jim, “kom je ook wel eens beneden?”

“Iedere dag.”

“Dan zien we je morgen weer, ok?”

“K.”

De twee gingen weer naar beneden en voegden zich bij Captain. Het vrouwelijk schoon kwam weer naast hen zitten. Het interesseerde ze ook niet. Ze wisten nu genoeg. Dit was hun destiny. De Rock and Roll rolde nog steeds uit de boxen maar dat ging langs ze heen. Hun gedachten namen hen teveel in beslag.

“Nog een ronde, heren?” vroeg Captain vriendelijk.

“Doe maar,” zei Jim afwezig. Ze dronken tot de avond viel en gingen naar hun kamers zonder de vrouwen. Een nachtje slapen doet wonderen, maar het wonder waar ze op hoopten gebeurde niet.

De volgende dag begaven Jim en Eric zich weer naar de bar. Iets anders kon je hier nauwelijks doen, of het moest drugs gebruiken, rockmuziek luisteren en sex hebben met vrouwen zijn op je kamer. Russell kwam later aan, terwijl de twee zich al aan het bezatten waren aan de bar. Hij liep zijn kamer uit en zag tot zijn verbazing dat er twee kamers in het hotel bijgekomen waren waar de namen van Jim en Eric opstonden. Ook Russell keek nergens meer echt van op, hoewel hij het toch even vermeldde aan zijn twee lotgenoten van het onderzoeksteam.

“Vreemd ja,” zei Eric, “kom, ga even zitten en drink er een met ons.”

“Ik ga even The Doors opzetten, ben zo terug,” zei Russell.

‘Well I woke up this morning and I got myself a beer’.

De twee moesten lachen en Captain deed vrolijk mee.

“Jullie zijn een goed stel!” zei Captain.

“Bedankt, ik geloof dat dit goede muziek is, want anders was Russell nu verdwenen naar de hel als ik het goed heb, nietwaar Captain?” vroeg Jim.

“Zo is het maar net, mijnheer,” beaamde Captain.

“Dit doet me denken aan de appel in het paradijs,” zei Eric, “je wilt gewoon weten waar het toe leidt, hoewel je weet dat het geen goed idee is. Onwetendheid is zaligheid, weten is de vloek.”

“U zegt het, mijnheer,” zei Captain en hij bulderde weer van het lachen. “Zo lang u goede muziek draait is er echt niets aan de hand, maar zoals u ziet bent u nog maar met zijn drieën, dus ik zou toch voorzichting zijn met wat u opzet,” en hij gaf de drie een veelbetekenende blik. “Ik heb het allemaal al gezien, mijne heren, ik druk u op het hart om mij niet te verlaten, want ik mag u graag.”

“Wat aardig van u om dat te zeggen,” zei Eric.

“En ik meen het nog ook!” zei Captain met een brede grijns.

“Hoeveel mensen zijn er dan al naar de hel verdwenen?” vroeg Jim.

“Het spijt me u dat te moeten zeggen, mijnheer, maar ik weet het echt niet. Het zijn er zo veel. Ik zie dat uw bier op is. Wilt u nog een ronde?”

“Waarom niet?”

Ze dronken de hele ochtend en tegen de middag waren ze al zo dronken als maar wat. Russell wist wel wat ze dan moesten doen. Ze konden kiezen tussen coke en pep. Na een paar snuifjes coke ging het wel weer en ze dronken gewoon door. Tegen de avond moesten ze echt wel pep hebben, want ze hielden het gewoon niet meer vol. Ze gingen naar hun kamers met drie sexy dames, weer andere dan de dag ervoor en namen het ervan tot middernacht, waarna ze totaal uitgeput in slaap vielen. De dagen daarna leken erg veel op deze dagen. Het leek wel of ze een eindeloos arsenaal van mooie vrouwen hadden, iedere dag kwamen er weer bloedgeile fotomodellen tevoorschijn die ze nog nooit gezien hadden. Nooit streden ze om een vrouw, want degene die naar je toe kwam was precies wat ieder van hen in een vrouw zocht.

Op een dag gebeurde natuurlijk het onvermijdelijke: Russell liep naar de muziekinstallatie en zette, eigenlijk voor de grap, een nummer op dat Pokerface heet van Lady Gaga. De rillingen liepen Jim en Eric over de rug, want ook hierbij kregen ze gelijk die intensiteit door, nog versterkt door hun drugsgebruik, ze wisten precies waarom dit nummer gemaakt was. Het was een product, zoals een stuk zeep. De kilheid, die niets meer te maken had met de schoonheid van muziek, sneed hen door hun ziel in afschuw. Dit nummer was gemaakt als puur amusement, het had geen waarde, geen inhoud en de computerengineer had het geheel samengesteld samen met een of andere tweedehands schrijver die zo te horen nog niet eens kon rijmen. Een band die geoefend had was ook niet nodig. Snel geld gegenereerd met een (meer nadruk op uiterlijkheden)sexy clip. Het was gewoon een nummer dat inspeelde op een trend van die tijd, poker, en dat was bijna gegarandeerd succes, als je tenminste genoeg dj’s en televisiestations omkocht om dat nummer te draaien. Mum mum mum mah!

Captain schrok op en sloeg zijn handen voor zijn gezicht. Russell verdween in het niets.

“Het spijt me, heren, maar uw vriend ging zojuist naar de hel.”

“Waar is hij nu dan?” vroeg Jim.

“In de hel. Verder weet ik er ook niets van. Sorry, mijnheer.”

Jim en Eric wisten niet wat ze er van moesten denken.

“Is dat een betere plaats dan hier?” vroeg Eric.

“Klinkt dat zo, mijnheer, en ik hoop dat u me kunt vergeven voor deze opmerking?” zei Captain triest.

Die avond gingen er geen vrouwen mee naar boven. Bovenaan de trap stonden ze even stil. Ze zagen dat de kamer van Russell verdwenen was. Jim haalde zijn schouders op, Eric keek er triest naar. Ze gingen slapen en de volgende morgen stonden ze, na op de gang even overlegd te hebben, weer in de lobby. Ze liepen samen af op de muziekinstallatie en zochten door de nummers.

“Ah, hier heb ik er een!” riep Jim.

Hij zette het nummer Never gonna give you up van Rick Astley op en verdween al snel naar wat volgens Captain de hel moest zijn. Captain riep nog iets maar Eric hoorde het al niet meer. Hij zette Right here waiting for you van Richard Marx op en verdween ook uit Hotel California. Eric kwam terecht in een soort van hotel, zo te zien, waar hij rechtstreeks in de lobby verscheen. Het stikte er van de mensen en het eerste wat hij hoorde was You’re my heart, you’re my soul van Modern Talking. Hij keek eens om zich heen, maar hij kon Jim en Russell nergens zien.

“Jim! Russell!” riep hij hard.

Een paar seconden later stonden ze om hen heen en hij was blij om ze te zien. Het enige dat hij niet fijn vond, was de muziek.

“Wat een kutmuziek!” schreeuwde hij om boven het volume uit te komen.

“Nou, dan heb je nog niks gehoord, man!” riep Russell, “ze draaien hier de hele dag Disco, Rap, Hip Hop, House en andere populaire crap. Je wordt er gewoon gek van. In Hotel California twijfelde ik nog of het hemel of hel was, dit ís de hel. Je krijgt hier niet eens drugs of alcohol, dus je kunt je zintuigen niet eens verdoven. En niemand is hier ooit vandaan gekomen, dat heb ik al nagevraagd. Je hebt niet eens een eigen kamer hier, je zit de hele dag te luisteren naar deze muziek, met zijn allen in de lobby. Je kan ook niet weg, er is geen uitgang.”

Het leven bestaat uit keuzes en zij hadden de verkeerde gemaakt. En zo gingen de drie naar de hel, hoewel dat niet de hel is die je normaal in boeken leest.


© Copyright 2019 Denker. All rights reserved.

Add Your Comments: